'Graeft Voort', een door mij zelf ingekleurde afbeelding van een schilderij, waarvan het origineel hangt in het Noord Brabants museum in 's Hertogenbosch en waarmee men een naamsverklaring probeert te geven voor Grave (klik voor het origineel)

Terug naar BOMMELTJE.NL Click here for the English pages Inhoudsopgave

Bezoek ook eens Weerstation Grave, voor méér dan alleen het weer...

naar boven

naar start

Op deze pagina wil ik aandacht besteden aan het Graafse dialect. De oorsprong van 'het Graafs' moeten we zoeken in de tijd dat Grave Gelders bezit was. Gezien het verleden van de vestingstad en de gevarieerde samenstelling van zijn bevolking, kunnen we stellen dat het Graafs een mengdialect is. Men spreekt over het Graafs ook wel van een dialect-eilandje met een taal die verschilt van al de dorpen die er omheen liggen, of ze nu gelegen zijn in het Land van Cuijk of Ravenstein of in het Gelders grondgebied zelf. Aan de hand van enkele ludieke verhalen en volksgebruiken laat ik u nader kennis maken met "ut Graefs".

EEN HERINNERING AAN DE GARNIZOENSTIJD
Een oude Gravenaar vertelde de volgende anecdote 'uut te gerniejezoenstiet':
Graafs: Dum bruur va mun grotmoeder waz unne sneejer. Heej was, mè sum persplank op sunne ruch, ovur dach waerukuh gewist in Gassel en Esteruh en ie kwaam an de bruchpoort, mar ie kon ur nie in.
Toe moez ie ut kontarschaerup oover nà du Haempoort. Door hong um bel. Toen ie guhbelt hat kwam du surzant fan du wàcht - hee hiettuh Warong - en riep: "Wie binduh, en woor komduh van dan?" Toe zeej die: "Ik bin van duh Graaf en kom van Esterun en Gassul". En toen hurden ie in eene keer lawaaj en spiktaakul en ie doch: "Wà cheet ur nou gebeuruh?" Duh heeluh wàcht kwam in ut cheweer en duh kommendant wier guhalt, want zuh dochtuh, dat tuh Graaf van Hessen en Kassel vur duh poort ston. Toen duh poort oopuh ging, vonduh zuh niks andurs tan Tummaskuh, diej un eint wech was chukroopuh. En toe moez ie vertelluh wà tur gebeurt was. En toe begos tuh kommundant tuh làchen en ie zein "Thoomas, dè heddur goet afchebrocht. Chò mà gouw nar oe moeder toe en zurreg mà, dàchuh unnem botteram kriecht".

Nederlands: Een oude Gravenaar vertelde de volgende anecdote uit de garnizoenstijd: De broer van mijn grootmoeder was een snijder (kleermaker). Hij was, met zijn persplank op zijn rug, overdag werken geweest in Gassel en Escharen en hij kwam aan de Brugpoort, maar hij kon er niet in.
Toen moest hij via het contrescarpe (een gedekte weg over de aarden buitenwal) naar de Hampoort. Daar hing een bel. Toen hij gebeld had, kwam de sergeant van de wacht - hij heette Warong - en riep: "Wie ben je, en waar kom je vandaan?" Toen zei die: "Ik ben van de Graaf en kom van Esteren en Gassel". En toen hoorde hij in ene keer lawaai en spektakel en hij dacht: "Wat gaat er nu gebeuren?" De hele wacht kwam in het geweer en de commandant werd gehaald, want ze dachten, dat de Graaf van Hessen en Kassel voor de poort stond. Toen de poort open ging, vonden ze niks anders dan Tommaske, die een eind weg was gekropen. En toen moest hij vertellen wat er gebeurd was. En toen begon de commandant te lachen en hij zei "Thomas, dat heb je er goed van afgebracht. Ga maar gauw naar je moeder en zorg maar dat je een boterham krijgt".

WAAROM GRAVE HET GARNIZOEN VERLOOR
Graafs: 't Waz achtienhondurttwee en zeevuntuch en toe waz ur un groot feest. Neegun en neeguntuch schootuh hebbuh zuh guhlost. Mer ut mindur soort folluk - ksal mà segguh duh bandietuh van de Graaf - riepuh: Leevuh duh mertulaeruh van Gurkum, wech mè tuh Waaturgeuzuh. En soaves moezzuh zuh aantreejuh en duh kommundant seej: "Als ik kommandeer "Vuur", dan schiet juh duh eerstuh keer in de lucht". En zuh hebbun ók in duh lucht moetuh schietuh. En zuh wildun un vuurwaeruk afstiekuh. Koos Hegeraat souw wud afstiekuh, mar zuh sleptuh dum boom en al ut fuurwaerek nà duh Maas, en goidun ut ur in. En zuh haddum unnu luituhnant fan duh merruhsjassee in duh geut chestamt, en duh saabul kapot chebrookuh. Mer dar is nooit iemant fur guhstraft, dur het niemant fur guhzeete. Mer dur is tur ennuh , die het moetuh vluchtuh.
En nou willuh ze zegguh, da ted ut ongeluk is chuwist fan Duh Graaf. Dat tuh mielietaeruh durrum uut te Graaf sien guhtrokkuh.

Nederlands: Het was 1872 en toen was er een groot feest. Negenennegentig schoten hebben ze gelost. Maar er was minder goed volk - ik zal maar zeggen de bandieten van de Graaf - riepen: Leve de martelaren van Gorkum, weg met de watergeuzen. En 's avonds moesten ze aantreden en de commandant zei: "Als ik commandeer: "Vuur", dan schiet je de eerste keer in de lucht". En ze hebben ook in de lucht moeten schieten. En ze wilden een vuurwerk afsteken. Koos Hegeraat zou het afsteken, maar ze sleepten de boom en al het vuurwerk naar de Maas, en gooiden het er in. En ze hadden een luitenant van de marechaussee in de goot gestampt, en de sabel kapot gebroken. Maar daar is nooit iemand voor gestraft, daar heeft niemand voor gezeten. Maar er is er eentje, die heeft moeten vluchten.
En nou willen ze zeggen, dat dat het ongeluk is geweest van de Graaf. Dat de militairen daarom uit de Graaf zijn getrokken.

KINDERSPELEN EN LIEDJES
Van de spelen die rond 1900 nog zeer gebruikelijk waren, zijn de volgende misschien vermeldingswaard.

- Balluh, petjuh balluh: De petten werden tegen de muur gelegd en een jongen trachtte er op een afstand een bal in te gooien of te rollen. Degene, in wiens pet hij kwam, haastte zich om van de pet af een jongen met de bal te raken. Wie door de bal geraakt werd (tenzij hij hem opving) moest de bal opnieuw ingooien.

- Bok stoan: bok staan. Een jongen stond bok tegen een boom of muur, een ander sprong op de rug, stak vingers in de lucht en vroeg bok, bok, hoevul hoorus. De bok bleef staan, tot hij juist raadde, dan was de ander de bok en de eerste plaatste zich achteraan in de rij der medespelenden.

- Boeruh, drie stommuh boeruh ook wel stommuh pantuhmienuh: Drie spraken een pantomime af (zij beelden iets uit). Als ze klaar waren werden ze door een van de anderen verwelkomt met "Woor kommuh die drie stommuh boeruh vandaan?" Het antwoord luidde "Fan Enguhlant". "Wa kunnuh zuh?". "Fan allus". "Duuduu waeruk ferplicht?" (Doe je werk, (dat je) verplicht (bent te doen). Ze begonnen de pantomime. Na afloop werd om beurten geraden, wat het inhield en wie er in slaagde, mocht twee boeruh kiezen om met hen opnieuw te beginnen.

- Bomvreijuh, muh goan optuh ~ betekende: we gaan ravotten in en op de voormalige bomvrije kazerne.

- Bus, mettuh ~ schietuh. Ze werd gemaakt van een dik stuk vlierhout met dunne pit. Deze werd er met un gloejent iezur uitgebrand. De stempel was bij voorkeur gesneden uit talhout. Een stuk gekauwd papier werd er met de bovenkant van de stempel inguhtimmert en naar het ander einde geduwd, meestal met de stempel voor tegen het middenrif. Unnuh tweeduh prop diende verder voor het schot. Was er unnuh goejuh zuugur an de stempul guhkommuh, dan verkreeg men met deze de nodige luchtdruk. Was de bus goed ingeschoten, dan sloeg men ook met de hand tegen de stempel. In plaats van gekauwd papier maakte men ook gebruik van kalluhmoesproppuh (kalmoesproppen).

Rechts zien we een drietal kinderen zitten op een van de drie visstenen. Autoloos als Grave in die tijd was, was het tevens één grote speelplaats voor kinderen... Kuuluh, driekuuluh speuluh: Het doel was, een ijzeren of stenen bal in drie kuuluh tuh krieguh en een bal van de tegenpartij te raken. Wie de bal in een kuil wist te rollen of een bal van een tegenspeler te raken, mocht doorspelen. Wie als nummer een begon en de drie gehàlt gehaald had, gooide zijn bal naar een veilige plaats om later vandaar verder te spelen. Het aantal medespelers kon tot vier of vijf stijgen.

Mertstenuh, um duh ~:krijgertje spelen om de marktstenen, drie zware vierkante hardstenen op gemetselde onderlagen, met de mertpomp marktpomp, in een cirkel gelegen onder een fraaie loofkoepel, gevormd door een zestal bomen. Vroeger was daar een drukke vismarkt. Kom, dan gummuh um duh mertsteenuh kom, dan gaan we spelen om de marktstenen.

Schuufuluh: keilen met een schuufulaer, een keilsteen, 'n stukje leisteen.
Schuufuluh was ook een spel waarbij men gebruik maakte van acht stoepstenen of - hokjes in twee rijen van vier. Men schoof de schuuful of schuufsteen met de hand in het eerste hok en stiet hem, hinkend, met de voet telkens een pot, hok, verder. Wie miste, begon bij de volgende beurt met de steen uit de hand in het hokje te laten glijden, waar men zonder fout gekomen was.

BIJNAMEN
Gravenaren stonden bekend om hun gevoel voor humor. Bijna iedereen had er een bijnaam en toen iemand stelde, dat men op hem niets wist, kreeg hij - naar zijn gang - terstond de bijnaam Mijnheer Breetspoor. Afgezien van allerlei dierennamen kunnen de volgende een idee geven van de humor van de Gravenaren:

Dum Bà(n)juhnetslikker of duh Steiluh, dum Blèkke (blikken), dum Blouwuh (iemand met rode haren), dum Blouwvaeruvur, dum Boer, dem Bril, Bruur Pietur, dum Döbbulduh, dum Baron, duh Knoopumbaron (kleermaker) dun heiligun Geest (deftige grijsaard met lange gespleten baard), duh grootuh Gòt vaak met de toevoeging uut ut strötje, Hier zien we Jan en Mieke Mulder, algemeen bekend in Grave destijds (ca. 1900) onder de naam Jan en Mieke Moel. Een typerend echtpaar, blijkt tevens uit de verhalen die hen hebben overleefd. Slechts weinigen onder ons hebben hen gekend en toch heeft eenieder over hen gehoord. Zij woonden in het Katerstraatje, waar nu de Trompetterstraat is. Over hen ging ook een liedje de ronde, waarvan het refrein ons bekend is en als volgt gaat - Ze sliepen op een ouwe zak, en hadden maar ene stoel. Jan en Mieke Moel. Ölbert tun Heer, dun Heiliguh, Jan mittuh belluh, 't Jootje (een korte, zwartharige man met lange neus), duh Koek, duh Kòp, Laazuhrus (een jongen wiens zusters Martha en Maria heetten), (De vrouw van) dun heiluhguh Maanus, Tuntjuh de Koeluh (kalme), Maanus, Jan en Miekuh Moel, duh Neeguhvingur, de gooruh Nel, duh Neus, duh Paeruk, duh Pieruk, Tienuskuh Pik, duh Pikkers of Pikbussuh (de poaturs fan duh heiluguh haertuh wier stichtingshuis gelegen was aan de Rue de Picpus te Parijs), dun iezuruh Pin, duh Poemul, Tienus tuh Puum, duh Reus (klein gestalte), de Schiiluh, Slingurhannus, Jan Snert, duh Spin, duh Spuulbak (die woonde, waar een spoelbak in de gracht stond), duh stiilumboer (de stelenboer; iemand die gesnapt was toen hij jenever onder stelen (groenten) op een kruiwagen in de stad wilde smokkelen), duh Striepoal (een visser), Jentjuh Tol (een voddenkoopman), en duh Zwans.



Bron o.a.:
"Het dialect van Grave" door W.G.J.A. Jacob.


Er is niets moeilijker dan gesproken dialect fonetisch weer te geven.
Daarom zullen er best fouten in de tekst zijn geslopen. Eventuele verbeteringen,
en liever nog; aanvullingen zijn van harte welkom via e-mail.