|
|
||||||||||||||
| We maken onderscheid tussen 4 basisstoten, die in varianten steeds gespeeld worden. Deze stoten moet men automatisch kunnen spelen. Dat betekent dat de stoot bij herhaling getraind moeten worden. | ||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
|
||||||||||||||
|
Onder natuurlijke ballen worden die balen verstaan, die het te lopen traject zonder trek- of doorschieteffect kunnen afleggen. Men maakt onderscheid tussen de natuurlijk bal die de 2e bal dun raken en de natuurlijke bal die de 2e bal dik moet raken. De weerkaatsingshoek wordt bepaalt door de mate waarin de 2e bal geraakt kan of moet worden. De natuurlijke bal wordt meestal voor kleine afstanden gebruikt en de mate van afstoten moet aan de af te leggen afstand worden aangepast. |
||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
| De Amortis | ||||||||||||||
|
||||||||||||||
|
||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
|
||||||||||||||
|
Lage afstoot, 2 cm. onder het hart. Er moet door de bal heen worden gestoten (het trekeffect moet zo lang mogelijk worden meegegeven). Zachte en beheerste stoot |
||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
|
||||||||||||||
|
Hoge afstoot, 2 cm. boven de horizontale lijn. Lijn van bal 1 naar bal 2 door de halverende hoek = aanspeelpunt W. Er moet door de bal gestoten worden (het doorloopeffect moet zo lang mogelijk meegegeven worden). |
||||||||||||||
|
Mail deze pagina |