| Veel van de volgende stellingen en afbeeldingen zijn op rechtshandige spelers gericht. Vanzelfsprekend kunnen spelers, die de linker hand als stuurhand gebruiken, evengoed biljarten. Optimaal zou natuurlijk zijn als een speler zowel links als rechtshandig met aangepaste lichaamshouding zou kunnen spelen. |
|
Waar en hoe wordt een keu vasthouden ? |

|
Het is belangrijk dat u de keu daar vasthoud, waar het u goed in de hand ligt en het als verlenging van uw hand of arm ingezet kan worden.
| 1. |
Te ver achteraan vasthouden zal een pompstoot opleveren. Dat betekent dat de voorkant van de keu niet horizontaal maar op en af zal bewegen. Deze stoot is de meestvoorkomende oorzaak van "ketsen". De pomerance glijdt bij een stoot met effect van het gladde oppervlak van de bal af.
|
| 2. |
In
deze zone losjes vasthouden. Stelt u zich voor dat u een klein vogeltje vasthoud. Ook dan mag de grip niet te los of te vast zijn. |
| 3. |
Te ver naar voren vasthouden brengen schouder en bovenarm in het spel. Slecht raken en een slechte uitvoering van de stoot zijn het mogelijke gevolg. |
| 4. |
Zwaartepunt van de keu. |
| 5. |
Nieuwe keu's zijn 2 of 3 delig. In het midden zijn ze door een houten- of metalen schroef verbonden. Deze verbinding moet flink vastgeschroefd worden, maar mag echter in geen geval té vast dichtgeschroefd worden. |
| 6. |
Hier bevind zich de grip voor uw stuurhand. Afhankelijk van de stoot of figuur kan deze zone dichterbij of verder van de aanspeelbal liggen. |
Er zijn veel mogelijkheden om de keu met de hand vast te houden. Onnodige en hinderlijke spanning kan men vermijden door de keu op de middelvinger te leggen en vervolgens met de andere vingers te omvatten. De wijsvinger en de duim moeten losjes blijven en de beweging niet beinvloeden, omdat het anders gemakkelijk tot een verwrongen stoot kan leiden. Erg belangrijk is het om de hand en de "rug" van de hand lang en losjes te maken, omdat bij het maken van een vuist de spieren en zenuwen in uw onderarm extra arbeid uitvoeren. Deze arbeid heeft een ongunstige invloed op de afstoot. |
 
|
Als u neigt tot vastgrijpen moet u de wijsvinger ontspannen laten hangen. De grijphand houdt de keu maar net vast. De keu moet vrij kunnen bewegen en de hand moet de keu niet hinderen. Voor de houding van de onderarm en uw handgewricht geldt het de keu als een aktentas vast te houden. Niemand draagt een aktentas met verdraaid handgewricht of een schuine onderarm. |
|
De lichaamshouding (stand der voeten, arm en hand) |

|
Figuur
1 (juiste manier)
| 1. |
Speelbal |
| 2. |
Bovenlichaam en hoofd zijn precies boven de keu geplaatst. |
| 3. |
De voeten moeten niet verkrampt, en ca. 45 graden in verhouding tot de keulijn geplaats worden. |
| 4. |
Lijn waarover de keu moet bewegen. |
| 5. |
Losse hand, moet zich precies boven de voet bevinden. |
Goede balans door een ontspannen knie. De ogen precies boven de speellijn. De onderarm moet vrij (zoals een klepel van een klok) kunnen bewegen.
Figuur
2 en 3 (verkeerde manier)
Ongemakkelijk, verstijfd, slechte balans. De arm schommelt zijwaards of wordt door het lichaam gehinderd. De ogen bevinden zich ter zijde van de speellijn en verhinderen precies plaatsen. |


|
| Deze twee afbeeldingen tonen de optimale houding en lijn ten opzichte van de bal. |
|
De handvoering |

|
| Er zijn veel manieren om een keu vast te houden. Belangrijk echter is er op te letten dat de keu een stabiele basis heeft. Daarvoor moet de hand tijdens de hele stoot op de tafel blijven liggen - te vroeg wegtrekken van de hand is veelal de oorzaak van een slechte afstoot. |
 |
De uitgangsbasis is de vlakke hand, die op het biljart ligt, zonder de keu vast te houden. |
 |
In
de volgende stap omvat de wijsvinger de keu. De vingers liggen losjes tegen de keu. Een te gesloten keuvoering behinderd de (voor)stoot., een te losse houding leidt tot mechanische onnauwkeurigheid.
De speelbal wordt diep geraakt. |
 |
Schuif de middelvinger onder de keu en de speelbal zal bij een gemiddelde handgrootte iets boven het midden worden geraakt.
|
 |
Bij een trekbal of bij de serie americaine is deze handvoering uitermate geschikt. Belangrijk is dat alle 4 de vingernagels op het laken liggen, terwijl de rug van de hand zo vlak mogelijk is. Als de kootjes wat uitsteken, betekent dit meestal een te verkrampte houding. |
|
|
De snavel (voorkeu) |
Met de snavel wordt dat gedeelte van de keu bedoeld dat voor de hand uitsteekt. De lengte van de snavel moet de uithaalbeweging reguleren en mogelijk maken. Men kan zo, indien nodig, maximaal uithalen. Voor het kleine positiespel is een korte snavel genoeg. Moet u echter flink kunnen uithalen, dan is een lange snavel noodzakelijk.
Let op het volgende bij de keuze van de snavellengte::
1 |
Bij het kleine spel niet met een te korte snavel spelen, omdat dat anders ten koste van het overzicht gaat. |
2 |
Bij het ver strekken van het lichaam maakt een korte snavel het stoten wat gemakkelijker. |
3 |
Als een zuivere afstoot belangrijk is voor het maken van de carambole, dan heeft een korte snavel de voorkeur. |
De korte snavel
dwingt een sneller afstoot af en beschermt tegen mechanische onnauwkeurigheid. |
De lange snavel
maakt een grotere uithaalbeweging mogelijk en laat een langzamere afstoot toe. |
|
|
Het richten op en het raken van de aanspeelbal |

|
Richt niet met een oog zoals dat bij schieten het geval is, maar kijk aandachtig met beide ogen over de keu langs de speellijn (S). Bij stoten zonder zijeffect moet de lijn (S) precies naar het punt wijzen waar u de bal raken wil. Bij het stoten mét zijeffect verschuif de lijn parallel aan de speellijn.
| A. |
Bal
2 wordt vol geraakt
|
| B. |
Bal 2 wordt ¾ vol geraakt
|
| C. |
Bal
2 wo ½ vol geraakt |
| D. |
Bal
2 wordt ¼ vol geraakt
|
| E. |
Bal
2 word dun geraakt |
|
|
Het spelen en raken van de speelbal |

|
| Alleen het genummerde gedeelte garandeert dat gekalkt leer (de ppmerance) niet van de rand zal afglijden (Ketszone). |
| 1. |
Afstoot in
het hart |
De bal wordt in de horizontale en verticale middenas geraakt. Daardoor zal de bal rollen zonder effect mee te krijgen. Deze stoot is de basis voor de amortis-stoot. |
| 2. |
Hoge afstoot
|
De bal wordt op de verticale middenlijn gestoten, maar dan boven de horizontale middenlijn. Daardoor krijgt de bal loopeffect. Deze stoot is de basis voor de doorschietstoot. |
| 6. |
Lage afstoot
|
De bal wordt op de verticale middenlijn gestoten, maar dan onder de horizontale middenlijn. Daardoor krijgt de bal terugloopeffect. Deze stoot is de basis voor de trekstoot. |
| 4. |
Afstoot
op
hartlijn met
rechts of
links effect |
De bal wordt op de horizontale middenlijn gestoten, maar dan links of rechts van de verticale middenlijn. Daardoor rolt de bal, zonder doorschiet- of terugloopeffect.Deze stoot kan helpen bij de amortis, omdat het effect tegenoovergesteld aan de tweedee bal wordt doorgegeven. |
| 3
+ 5. |
Hoge of lage afstoot met
links of
rechts effect |
De bal wordt links of rechts van de verticale en boven of onder de horizontale lijn geraakt. Daardoor rolt de bal met het gewenste effect. Het effect helpt u om de aanspeelbal te controleren, of de speelbal wanneer deze een band raakt. |
|
|
De stoot |

|
1.
2. |
Schouder
Elleboog
|
Schouder en elleboog moeten stil en stevig zijn. De stoot moet enkel uit de onderarm en ontspannen handgewricht komen. |
3. |
Voorstoten |
Bij het voorstoten beweegt men de onderarm op en neer, zonder daarbij de bal te raken, want iedere aanraking van de speelbal geldt als een uitgevoerde stoot. De proefstoot heeft als doel het in lijn brengen van de keu door het gelijkmatig voor- en achteruit bewegen en geldt als voorwaarde voor een goede afstoot. |
4. |
De afstoot |
De afstoot volgt na 2 a 3 voorstoten en wordt dus niet voor de bal afgeremd, maar gaat als het ware dwars door de bal heen. Daarbij moet men er op letten dat de stoot niet langer is dan de afstand van bal 1 naar bal 2, zodat er niet een dubbelstoot wordt gemaakt (bal 1 raakt bal 2, ketst terug en wordt vervolgens nogmaals door de keu geraakt).
|
5. |
Door de bal stoten |
|
|
In het spraakgebruik kan stoot op twee manieren worden uitgelegd. De stoot als speelsituatie (mooie stoot) of de stoot als beweging.
Wij houden ons hier uitsluitend met de afstoot als beweging bezig. De voorwaarden die aan de afstoot gesteld worden, zijn veelvuldig. Het skala van stoten gaat van heel licht aanraken tot extreem hard afstoten. Een standaardstoot bestaat niet. Beheerst een speler maar een afstoot, dan zal opvallen dat hij (of zij) opvallend goed is bij de ene stoot en uitermate slecht bij een andere stootvorm. Dit is ook in andere sporten het geval, maar als men van een technisch perfecte sporter spreekt, dan bedoelt men dat hij in alle situaties zijn lichaam optimaal kan inzetten. Een goede biljartspeler zoekt voor iedere spelsituatie de benodigde afstootvorm en kan deze dan in de praktijk uitvoeren. Dat houdt in dat hij de benodigde beweging oproepbaar in zijn geheugen heeft opgeslagen.
Er zijn drie manieren om de speelbal in beweging te krijgen, namelijk door:
- 1. Doorschieten
- De keu wordt zonder terug te trekken ver naar voren bewogen.
Het topje van de keu volgt de speelbal zo ver mogelijk. De keu wordt na de stoot niet terug getrokken. De afstoot moet een vloeiende beweging zijn en het lijkt wel of de speelbal er niet ligt.
Het einde van de stoot wordt bepaald door de manier waarop de keu wordt vastgehouden, of door het bereiken van het laken (om geen schade te veroorzaken). Een zuivere doorschietende beweging maken is moeilijker als men denkt. Bijna iedere speler volgt de speelbal, maar stopt de beweging toch wat abrupt. Vertrouw op de werking van de doorschietstoot en maak geen extra bewegingen. De doorschietstoot wordt toegepast, wanneer er voldoende ruimte voor de keutop is en de speelbal en bal 2 effect moeten meekrijgen. Bij het doorschieten moet de keu tijdens het raken van de speelbal geen snelheid verliezen,
- 2. Tikken
- De keu wordt naar voren bewogen en meteen weer teruggetrokken.
Bij het tikken volgt de keu de bal iets en wordt dan reflexmatig teruggetrokken. Deze manier van stoten is bij alle trek- en doorschietballen te gebruiken. Ook bij de massé en de piquéstoot, wanneer de bal heel veel rotatie mee moet krijgen. Het tikken van de bal wordt lichtjes uitgevoerd. Het terugtrekken van de keu moet natuurlijk en niet krampachtig gebeuren. De vaak voorkomende fout is het overdreven snel terug trekken. Vertrouw daarom altijd op de aangeleerde terugtrekreflex. Iedere spanning in de spieren van de hand vertraagd de reflex.
Bij het tikken wordt maar een geringe hoeveelheid energie overgedragen. Als een bal bij de serie americaine getrokken moet worden, dan gebeurt dat meestal door middel van tikken.
- 3. Slaan
- De keu wordt naar voren bewogen en wordt vervolgens abrupt gestopt. Bij een slagstoot volgt de keu de speelbal niet zo lang en houdt vervolgens op de plaats rust. Men gebruikt deze manier van stoten voornamelijk bij zogenaamde afremstoten, om bal 2 voldoende vaart mee te geven. Hoe sneller de stoot is, des te meer vaart zal bal 2 krijgen.
Het "slaan" lijkt een beetje op het "tikken", alleen wordt de keu dan niet teruggetrokken.
Als de beweging van de keu bij genoemde stoottechnieken niet precies in het verlengde van de keu blijft, dan zal de kwaliteit van de stoot sterk verminderen. Verander tijdens de afstoot niet van techniek. Soms wordt er afremmend gestoten terwijl men eigenlijk wilde doorschieten. Het resultaat is dat, als het punt desondanks toch gemaakt wordt, bal 2 veel te langzaam is en er niet kan worden verzameld. Helaas worden velen door het onverdiende succes van deze afstoot juist gestimuleerd om het de volgende keer weer zo te doen. Het wisselen van de manier van stoten tijdens de afstoot getuigd van een slechte voorbereiding van de afstoot.
|
|
De aan de spelsituatie aangepast speelsterkte |
De snelheid en lengte van de "voorstoot" bepaalt
- De snelheid van de stoot
- De reactie van bal 1
- De snelheid van bal 2
Onthoud:
Een langzame en gerichte "voorstoot" zorgt voor
- De exacte loop van bal 1
- Een effectieve stoot
(zonder extra kracht, want het gewicht van de keu is genoeg)
- Een goede loop van bal 2
|
|
Speeltechniek |
Volgens een regel moet men , wanneer mogelijk, de carambole via de dichtsbijzonde bal proberen te maken, omdat men op korte afstand beter en preciezer zal treffen en meer controle over de stoot heeft.
Veel belangrijker nog dan het strak toepassen van regels is het om u op uw gemak te voelen en om te proberen niet te krampachtig te spelen. |