Astronieuws - Nieuws uit de ruimte:
Wanneer u op een nieuwsitem klikt, wordt er een nieuw venster geopend met daarop (indien van toepassing) het hele artikel. Als u alles gelezen hebt, kunt u door het sluiten van dat scherm weer terug naar dit overzicht.

Astronieuws
Astronieuws is de sterrenkundige nieuwspagina van het tijdschrift Zenit.
-
BERICHT VAN 16 05 2012 OM 01:00 UUR
Sommige sterren produceren bij tijd en wijle enorme uitbarstingen, waarbij de zonnevlammen van onze eigen ster magertjes afsteken. Tot nu toe dachten astronomen dat deze 'supervlammen' het gevolg waren van magnetische interacties tussen de ster en een grote Jupiter-achtige planeet die daar op geringe afstand omheen cirkelt. Maar gegevens van de NASA-satelliet Kepler laten zien dat zonachtige sterren geen reuzenplaneet nodig hebben om supervlammen te produceren (Nature, 16 mei). Astronomen van de universiteit van Kyoto hebben met behulp van Kepler de helderheidsfluctuaties van 83.000 zonachtige sterren bestudeerd. Daarbij namen zij in de loop van vier maanden bij 148 van deze sterren in totaal 365 supervlammen waar. De sterren waarbij dat gebeurde vertonen ook omvangrijke 'zonnevlekken', wat wijst op grote magnetische activiteit. Maar grote planeten lijken deze sterren niet te hebben. Dat hoeft niet te betekenen dat de theorie van de magnetische interactie direct al de prullenmand in kan. Op de eerste plaats bestaat er geen goed alternatief voor en bovendien hoeft de veroorzaker niet per se een grote planeet te zijn: een kleintje in een nóg krappere omloopbaan voldoet ook. En het opsporen van kleine planeten is nu eenmaal veel moeilijker dan de detectie van een reuzenplaneet van het kaliber Jupiter.
-
BERICHT VAN 16 05 2012 OM 01:00 UUR
Waarnemingen met de NASA-satelliet WISE hebben meer inzicht opgeleverd omtrent de 'potentieel gevaarlijke' planetoïden in ons zonnestelsel. De resultaten geven nieuwe informatie over hun totale aantallen en de bedreiging die zij voor onze planeet kunnen vormen. De potentieel gevaarlijke planetoïden vormen een onderklasse van de categorie 'aardscheerders'. Ze kunnen ons planeet tot op een afstand van ongeveer acht miljoen kilometer naderen, en zijn groot genoeg om ongeschonden de aardatmosfeer te passeren en grote verwoestingen aan te richten. Aan de hand van een steekproef heeft WISE vastgesteld dat er drieduizend tot zesduizend van deze risicovolle planetoïden bestaan. Daarvan is tot nu toe nog maar ongeveer een kwart daadwerkelijk opgespoord. Ook wijst de nieuwe analyse erop dat er twee keer zoveel van deze planetoïden in ongeveer hetzelfde vlak als de aarde om de zon bewegen dan gedacht. Deze objecten lijken ook wat kleiner en helderder te zijn dan hun soortgenoten die een groot deel van de tijd verder uit de buurt van onze planeet blijven. Mogelijk gaat het hierbij om brokstukken van objecten die oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van de grote planetoïdengordel tussen de planeten Mars en Jupiter.
-
BERICHT VAN 16 05 2012 OM 01:00 UUR
Een internationaal team van astronomen heeft een gordel van warm stof waargenomen rond het superzware zwarte gat in de kern van het 150 miljoen lichtjaar verre sterrenstelsel NGC 3783. Om deze waarneming mogelijk te maken, moest het (infrarood)licht van drie telescopen van de Very Large Telescope van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili worden gecombineerd. De stofgordel is waarschijnlijk de 'voedselbank' van waaruit materie op de hete gasschijf valt die het zwarte gat op kleinere afstand omringd. Deze 'accretieschijf' zelf is niet waargenomen. Uit de waarnemingen blijkt dat de gordel een middellijn van ongeveer één lichtjaar heeft. Dat betekent dat hij vanaf de aarde gezien ongeveer zo klein lijkt als het strafschopgebied van een denkbeeldig voetbalveld op de maan. Met één afzonderlijke telescoop zijn zulke kleine details momenteel nog niet waarneembaar. Door het opgevangen licht van de twee of meer telescopen nauwkeurig te combineren, kan echter de beeldscherpte worden bereikt van een 'virtuele' telescoop met een middellijn van meer dan honderd meter - tien keer zo groot als de grootste telescopen van nu. Doel van het onderzoek is om er achter te komen hoe de massa van het centrale zwarte gat in een sterrenstelsel kan oplopen tot miljoenen of zelfs miljarden zonsmassa's.
-
BERICHT VAN 16 05 2012 OM 01:00 UUR
Het Amerikaanse ruimteagentschap NASA leent de Galaxy Evolution Explorer, beter bekend als Galex, uit aan het California Institute of Technology (Caltech). Daarmee is het voortbestaan van de succesvolle satelliet, die de hemel op ultraviolette golflengten waarneemt, voorlopig verzekerd. In februari van dit jaar besloot NASA om Galex in zijn 'spaarstand' te zetten, als voorbereiding op het definitieve einde van zijn missie, die al in 2003 begon. Dat was vooral een bezuinigingsmaatregel, want de satelliet doet het nog prima. Door de beheerskosten voortaan door Caltech te laten betalen, kan het onderzoek nu alsnog worden voortgezet. Het is de bedoeling dat de Californische astronomen Galex nog zeker drie jaar gaan gebruiken. Zij zullen de extra tijd benutten om nog meer sterrenstelsels in kaart te brengen, om meer te weten te komen over de wijze waarop deze objecten in de loop van de tijd evolueren.
-
BERICHT VAN 16 05 2012 OM 01:00 UUR
Officieel is het veranderlijke karakter van de ster Algol, ook wel de Duivelster genoemd, in 1783 ontdekt door de Engelse astronoom John Goodricke. Maar omdat de helderheidsvariaties van Algol gemakkelijk waarneembaar zijn met het blote oog, leek het aannemelijk dat zijn wispelturige gedrag al eens eerder was opgemerkt. Onderzoek van een drieduizend jaar oude Egyptische kalender op papyrus lijkt dat nu te bevestigen. Algol bestaat uit twee sterren van ongelijke helderheid die elkaar, vanaf de aarde gezien, met een regelmaat van 2,867 dag wederzijds bedekken. Dit resulteert in opvallende helderheidsvariaties - als je oplet tenminste. Het lijkt erop dat de oude Egyptenaren dat inderdaad deden. In de Egyptische papyruskalender Cairo 86637 is namelijk een cyclus vastgelegd met een periode van 2,850 dag. Dat is iets korter dan de huidige regelmaat die de dubbelster Algol vertoont, maar dat is verklaarbaar: er vindt namelijk materie-overdracht plaats van de ene ster naar de andere, waardoor de twee geleidelijk trager om elkaar heen gaan wentelen. Als deze interpretatie klopt, zijn de Egyptische aantekeningen niet alleen de oudste waarnemingen van een veranderlijke ster. Ook zouden ze gebruikt kunnen worden om de snelheid van de materie-overdracht te schatten.
-
BERICHT VAN 15 05 2012 OM 01:00 UUR
Sterrenkundigen hebben een mogelijke verklaring gevonden voor het feit dat sommige supernova-explosies veel energierijker zijn dan andere. Een voorbeeld van zo'n extreem heldere supernova was SN 2010jl, die eind 2010 opvlamde in het sterrenstelsel UGC 5189A, op 160 miljoen lichtjaar afstand van de aarde. Zowel in zichtbaar licht als op röntgengolflengten was deze sterexplosie veel energierijker dan de gemiddelde supernova.
Waarnemingen met het Amerikaanse Chandra X-ray Observatory in 2010 en 2011 laten nu zien dat de extra lichtkracht het gevolg is van het feit dat de schokgolf van de supernova zich met grote snelheid in een omringende schil van eerder weggeblazen gas boort. Daarbij wordt dat gas sterk verhit en geïoniseerd, waarna het zelf straling begint uit te zenden.
Dat SN 2010jl inderdaad door zo'n cocon van eerder weggeblazen gas wordt omgeven, blijkt uit het feit dat de röntgenstraling van de supernova in 2011 veel minder sterk wordt geabsorbeerd dan in 2010. De röntgenstraling van de supernova breekt dus nu voor het eerst door de omhullende cocon heen - een verschijnsel dat niet eerder is waargenomen. De Chandra-resultaten zijn gepubliceerd in Astrophysical Journal Letters.
-
BERICHT VAN 15 05 2012 OM 01:00 UUR
Astronomen van het Heidelberg Institute for Theoretical Studies denken een oplossing gevonden te hebben voor het raadsel van de ontbrekende dwergstelsels in het heelal. Volgens de gangbare theorieën is de groteschaalstructuur van het heelal ontstaan door samenklontering van donkere materie en intergalactisch gas. De simulaties voorspellen het bestaan van vele honderden kleine dwergstelsels rond grote sterrenstelsels zoals ons eigen Melkwegstelsel, maar die grote aantallen dwergstelsels zijn nooit gevonden.
Volgens een team van theoretici onder leiding van Volker Springel wordt de vorming van kleine dwergstelsels mogelijk indirect verhinderd door superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels. Wanneer zulke zwarte gaten energierijke gammastraling uitzenden, worden ze 'blazars' genoemd. Uit berekeningen blijkt nu dat de gammastraling in wisselwerking treedt met de optische straling die afkomstig is van de blazars. Daarbij worden grote hoeveelheden elektronen en positronen gevormd, die het omringende ijle intergalactische gas verhitten, soms wel tot een honderd maal zo hoge temperatuur.
Omdat heet gas minder gemakkelijk samenklontert onder invloed van de eigen zwaartekracht, zou die verhitting een mogelijke oorzaak kunnen zijn van het ontbreken van talloze kleine dwergstelsels. Dat het ijle intergalactische gas heter is dan altijd is aangenomen, zou zichtbaar moeten zijn in de spectra van verre quasars. Volgens de auteurs, die hun resultaten publicerren in The Astrophysical Journal en de Montly Notices of the Royal Astronomical Society , lijkt dat inderdaad het geval te zijn.
-
BERICHT VAN 15 05 2012 OM 01:00 UUR
Op maandag 21 mei wordt op het Observatorio del Teide op het Canarische eiland Tenerife een nieuwe grote zonnetelescoop in gebruik genomen. De telescoop, GREGOR genaamd, is gebouwd door een consortium van Duitse instituten en heeft een spiegelmiddellijn van 1,5 meter. Daarmee is het de grootste Europese zonnetelescoop en de op twee na grootste ter wereld. Net als de kleinere Dutch Open Telescope op La Palma heeft GREGOR een compleet open structuur. Hij is voorzien van een systeem voor adpatieve optiek om de effecten van atmosferische turbulentie te compenseren. Mede daardoor zal hij in staat zijn om details van slechts 70 kilometer groot te onderscheiden op het oppervlak van de zon. GREGOR gaat waarnemingen verrichten op optische en infrarode golflengten.
-
BERICHT VAN 14 05 2012 OM 01:00 UUR
De Europese microsatelliet Proba-1, een experimentele satelliet voor aardobservatie, is weer volop in bedrijf nadat hij een 'oogoperatie' heeft ondergaan. Proba-1 werd op 22 oktober 2001 gelanceerd als een technologische demonstratiemissie voor autonome 'besturing', met een geplande levensduur van vijf jaar. De kubusvormige satelliet, kleiner dan een vierkante meter, bleek een groot succes, en leverde foto's en meetgegevens voor onderzoekers van over de gehele wereld. Als gevolg van de inwerking van kosmische straling raakten de zogeheten stervolgers echter onklaar. Die instrumenten zijn nodig voor de (autonome) oriëntatie van de kunstmaan. Dankzij nieuwe software, ontwikkeld door de Technische Universiteit Denemarken, zijn de stervolgers sinds kort echter weer in staat om onderscheid te maken tussen echte sterren en 'hot pixels', veroorzaakt door kosmische straling.
-
BERICHT VAN 14 05 2012 OM 01:00 UUR
Via het Britse Faulkes Telescope Project kunnen sterrenkundeamateurs straks een bijdrage leveren aan de Europese speurtocht naar aardscheerders - planetoïden die de aarde gevaarlijk dicht kunnen naderen. De Europese ruimtevaartorganisatie ESA heeft een eigen Space Situation Awareness programma, waarin onder andere gezocht wordt naar onbekende aardscheerders (ook wel Near-Earth Objects, of NEO's genoemd). Via een samenwerkingsverband met het Faulkes Telescope Project kunnen studenten en amateurs daar nu ook aan meewerken. Het Faulkes-project bestaat uit twee 2-meter telescopen, een op Hawaii en een in Australië, die volledig op afstand bediend worden vanuit Groot-Brittannië en die uitsluitend gebruikt worden voor educatieve doeleinden en voor amateurprogramma's.
-
BERICHT VAN 14 05 2012 OM 01:00 UUR
Universiteiten van over de hele wereld werken volgend jaar samen aan de lancering van een zwerm van microsatellieten, voor onderzoek aan de invloed van elektrisch geladen zonnewinddeeltjes. Twintig van de vijftig satellieten worden uitgerust met meetapparatuur die ontwikkeld is door natuurkundigen van de Universiteit van Oslo.
De elektrisch geladen deeltjes van de zon - de plasmadeeltjes in de zogeheten zonnewind - veroorzaken poollicht, maar verstoren ook satellietcommunicatie, GPS-navigatie en satelliet-elektronica. Over de kleinschalige structuur van de plasmawolken is echter nog weinig bekend. Het nieuwe experiment moet daarover meer inzicht verschaffen.
In 2013 moeten ca. vijftig satellieten ter grootte van een pak melk tijdens één gezamenlijke lancering in een baan om de aarde worden gebracht, tussen 160 en 320 kilometer hoogte. Door de metingen van alle microsatellieten in de zwerm te combineren, is de kleinschalige structuur van de plasmawolken nauwkeuriger te achterhalen.
-
BERICHT VAN 10 05 2012 OM 01:00 UUR
De enorme krater Rheasilvia aan de zuidpool van de grote planetoïde Vesta is ontstaan bij een botsing die ongeveer één miljard jaar geleden plaatsvond. Daarmee is deze inslagkrater aanzienlijk jonger dan tot nu toe werd gedacht. Dat is een van de conclusies van een zestal onderzoeken, waarvan de resultaten vrijdag 11 mei in het wetenschappelijke tijdschrift Science verschijnen. Bij de onderzoeken is gebruik gemaakt van opnamen en meetgegevens van de NASA-ruimtesonde Dawn, die sinds juli 2011 om Vesta cirkelt. De naar beneden bijgestelde ouderdom van Rheasilvia wordt afgeleid uit de aantallen kleine, jongere kraters die op de bodem van het 505 kilometer grote inslagbekken zijn aangetroffen. Gezien haar grote omvang gingen wetenschappers er een beetje van uit dat Rheasilvia was ontstaan tijdens het grote bombardement van kometen en planetoïden, dat de binnenste delen van ons zonnestelsel ongeveer vier miljard jaar geleden teisterde. Als de krater inderdaad pas drie miljard jaar later is ontstaan, is dat gebeurd op een moment dat het restpuin van het ontstaan van de planeten al goeddeels was 'opgeruimd'. In de planetoïdengordel tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter, waar ook Vesta zelf deel van uitmaakt, zijn talrijke kleinere Vesta-achtige planetoïden te vinden. Omdat de gemeten hoeveelheid gesteente die klaarblijkelijk bij de Rheasilvia-inslag is weggeblazen groter is dan het geschatte totale volume van deze Vesta-familie, lijkt het aannemelijk dat al deze planetoïden brokstukken van één en dezelfde grote inslag zijn.
-
BERICHT VAN 10 05 2012 OM 01:00 UUR
Nieuwe meetresultaten van de NASA-satelliet Interstellar Boundary Explorer (IBEX) laten zien dat onze zon bij haar tocht door het interstellaire medium waarschijnlijk geen 'boegschok' produceert, zoals een straaljager die de door de geluidsbarrière gaat. Daarvoor lijkt de snelheid waarmee de zon zich een weg baant door het gas en stof van de Melkweg te klein (Science, 11 mei). Ons zonnestelsel verplaatst zich door de ruimte binnen een beschermende bel van zonnewind en magnetische velden, die de heliosfeer wordt genoemd. De voorste begrenzing van de heliosfeer, waar de zonnewind in botsing komt met het interstellaire medium, markeert de rand van het zonnestelsel. Metingen met IBEX laten zien dat de snelheid waarmee de zon zich ten opzichte van het interstellaire medium verplaatst kleiner is dan gedacht: 85.000 km/uur in plaats van 95.000 km/uur. Bovendien zijn er aanwijzingen dat het magnetische veld in het interstellaire medium juist sterker is dan gedacht. Deze beide factoren maken het onaannemelijk dat er aan de voorkant van de heliosfeer een schokgolf ontstaat - een abrupte overgang tussen heliosfeer en interstellair medium. Bij de gemeten snelheid is hooguit sprake van een boeggolf, zoals bij een boot die door het water glijdt. Een veel geleidelijkere overgang dus.
-
BERICHT VAN 10 05 2012 OM 01:00 UUR
Met de Kepler-satelliet, die naar planeten buiten ons zonnestelsel speurt, is een nieuw planetenstelsel met minstens drie planeten ontdekt. Opmerkelijk gegeven: één van de drie planeten is niet rechtstreeks waarneembaar. Hij verraadt zijn bestaan slechts doordat hij de baanbeweging van een naburige, wél waarneembare planeet verstoort (Science, 11 mei). De drie planeten draaien om de zonachtige ster KOI-872. Twee ervan bewegen vanaf de aarde gezien tijdens elke omloop voor hun moederster langs, waardoor deze met tussenpozen een kleine helderheidsafname lijkt te vertonen. Het zijn deze 'helderheidsdipjes' die Kepler in staat stellen om planeten op te sporen. Normaal gesproken vinden zulke helderheidsdipjes plaats met de regelmaat van een klok. Maar bij de planeet KOI-872b, die een omlooptijd van bijna 34 dagen heeft, komen ze soms bijna een uur te vroeg of te laat. Die grote variatie wijst erop dat de planeet onder invloed staat van de zwaartekracht van een forse soortgenoot die klaarblijkelijk nooit voor zijn ster langs trekt. Berekeningen laten zien dat de niet-waarneembare planeet, die de aanduiding KOI-872b heeft gekregen, ongeveer zo zwaar is als de planeet Saturnus en een omlooptijd van 57 dagen heeft. De derde planeet van het stelsel is maar ruim anderhalf keer zo groot als de aarde en heeft een omlooptijd van iets minder dan zeven dagen.
-
BERICHT VAN 10 05 2012 OM 01:00 UUR
Astronomen hebben een bruine dwergster ontdekt die voor meer dan 99 procent uit waterstof en helium bestaat. Het stellaire onderdeurtje, dat met een oppervlaktetemperatuur van slechts 400 graden Celsius zeer koel is, kan het onderscheid tussen bruine dwergen en grote gasplaneten helpen aanscherpen. Bruine dwergen zijn sterachtige objecten die onvoldoende massa hebben om kernfusiereacties op te starten en deze langdurig vol te houden. Hierdoor koelen ze na hun ontstaan geleidelijk af tot een temperatuur van een paar honderd graden. Net als 'echte' sterren ontstaan bruine dwergen door het samentrekken van een grote gaswolk, waardoor ze voor het overgrote deel uit waterstof en helium bestaan. Reuzenplaneten daarentegen vertonen een grote chemische diversiteit en bevatten veel meer zware elementen dan een ster. Dat verschil stelt astronomen in staat om onderscheid te maken tussen planeten en bruine dwergen. De recent ontdekte bruine dwerg, die de aanduiding BD+01 2920B draagt, is opgespoord met de infraroodsatelliet WISE. Zijn samenstelling kon echter pas worden bepaald na vervolgonderzoek met infraroodtelescopen op Hawaï en in Chili. Het is dus vooral aan deze telescopen te danken dat de ware aard van het object kon worden vastgesteld.
-
BERICHT VAN 9 05 2012 OM 01:00 UUR
Sterren ontstaan doorgaans niet in afzondering, maar in grote groepen. Onderzoek door astronomen van de universiteit Bonn wijst erop dat deze 'sterrenhopen' bij hun geboorte allemaal ongeveer even groot of beter gezegd even klein zijn. Dat volgt uit computersimulaties die de evolutie van een sterrenhoop nabootsen. De kraamkamer van een sterrenhoop, een grote wolk van gas en stof, levert voornamelijk tweelingen af: bijna elke ster in de sterrenhoop heeft dus een partner. Door onderlinge interacties kan zo'n dubbelster uit elkaar vallen, ongeveer zoals een danspaar dat in een volle balzaal met een ander danspaar in botsing komt. Hierdoor neemt het aantal dubbelsterren in een sterrenhoop in de loop van de tijd af. Maar niet elke stellaire kraamkamer is even vol. En in een volle kraamkamer vinden meer onderlinge ontmoetingen en stellaire 'echtscheidingen' plaats dan in een minder volle. Hoe de verdeling tussen enkelvoudige en dubbelsterren in een sterrenhoop er uiteindelijk uitziet, wordt dus bepaald door de drukte in de stellaire kraamkamer. De Duitse astronomen hebben dit inzicht gebruikt om de oorspronkelijke eigenschappen van een aantal bekende jonge sterrenhopen te reconstrueren. De verrassende conclusie is dat, hoewel sterrenhopen sterk uiteenlopende massa's hebben, ze bij hun ontstaan allemaal slechts ongeveer een lichtjaar groot zijn. Dat wijst erop dat alle sterrenhopen op zeer vergelijkbare wijze ontstaan en zich pas later, afhankelijk van hun massa, op verschillende manieren verder ontwikkelen.
-
BERICHT VAN 9 05 2012 OM 01:00 UUR
Waarnemingen met de Europese infraroodsatelliet Herschel wijzen erop dat sterrenstelsels die een zeer actief zwart gat in hun kern hebben minder sterren produceren dan stelsels met een minder actief zwart gat (Nature, 10 mei). Zwarte gaten die het kalmer aan doen, stimuleren de stervorming juist. Waarschijnlijk schuilt in de kern van elk groot sterrenstelsel een zwart gat van miljoenen zonsmassa's. Gas dat naar zo'n veelvraat toe stroomt, bereikt enorme snelheden en temperaturen en straalt kolossale hoeveelheden energie uit. Dat dit nadelige consequenties kan hebben voor de ontwikkeling van een sterrenstelsel, bleek al uit eerder onderzoek van relatief nabije stelsels. In de omgeving van een gulzig zwart gat kan zoveel energie worden geproduceerd dat het nog aanwezige koele gas, dat nodig is voor de vorming van nieuwe sterren, uit het omringende stelsel wordt verjaagd. Het nieuwe onderzoek bevestigt dat dit effect ook acht tot twaalf miljard jaar geleden al optrad, toen de stervorming in het heelal op haar hoogtepunt was. Met de Herschel-satelliet is de stervormingsactiviteit in 65 verre stelsels onderzocht, en de resultaten zijn vergeleken met gegevens van de Amerikaanse röntgensatelliet Chandra, waaruit kan worden afgeleid hoeveel energie de zwarte gaten in de kernen van deze stelsels produceren. Uit dit vergelijkende onderzoek blijkt dat de stervorming in een sterrenstelsel en de röntgenhelderheid van zijn centrale zwarte gat tot op zekere hoogte gelijk op gaan. In stelsels met de meest actieve zwarte gaten stokt de stervorming echter. De onderzoekers vermoeden dat de toestroom van gas naar het zwarte gat in eerste instantie de stervorming juist bevordert. Maar als de gasaanvoer té groot wordt, begint het zwarte gat zoveel straling uit de braken, dat de vorming van nieuwe sterren wordt verhinderd.
-
BERICHT VAN 9 05 2012 OM 01:00 UUR
Op 8 april jl., iets meer dan tien jaar na de lancering, werd de communicatie met de succesvolle Europese milieusatelliet Envisat verbroken. De afgelopen maand zijn verwoede pogingen gedaan om de verbinding te herstellen, maar die hebben geen succes gehad. Daarom heeft ESA nu besloten om de missie definitief te beëindigen, zij het met een kleine ontsnappingsclausule. Over de oorzaak van het mankement zal wel nooit meer zekerheid worden verkregen. Tot 8 april leken alle systemen van de satelliet nog goed te werken. Maar desondanks zweeg Envisat plotseling in alle toonaarden. Hoewel de kans dat Envisat alsnog kan worden gered extreem klein wordt geacht, heeft het ESA-team dat het uitvallen van de satelliet moet onderzoeken de hoop nog niet helemaal opgegeven. Ook de komende twee maanden zullen nog pogingen worden gedaan om hem weer aan de praat te krijgen. Envisat heeft twee keer zo lang gewerkt als vooraf was gepland. Tien jaar lang heeft de satelliet land, atmosfeer, oceanen en ijskappen onderzocht, wat in ongeveer 2500 wetenschappelijke publicaties heeft geresulteerd. In die periode is Envisat onder meer getuige geweest van het afkalven van het zee-ijs rond de Noordpool en de toename van de luchtvervuiling boven Azië.
-
BERICHT VAN 9 05 2012 OM 01:00 UUR
Wetenschappers hebben, met behulp van het California Institute of Technology (Caltech), onomstotelijk vastgesteld dat de zandduinen op de planeet Mars net zo snel 'wandelen' als hun aardse tegenhangers (Nature, 10 mei). Daarover bestond enige twijfel, omdat sommige wetenschappers dachten dat de Marsatmosfeer te ijl is om winden te produceren die zand kunnen verplaatsen. Met de door Caltech ontwikkelde software zijn nu detailrijke opnamen van het duinlandschap Nili Patera geanalyseerd, die verspreid over een periode van 105 dagen door de Mars Reconnaissance Orbiter zijn gemaakt. Daarbij is vastgesteld dat sommige ribbels in die tijd meer dan vier meter zijn opgeschoven, wat bijdraagt aan de globale beweging van de zandduinen. In dit opzicht lijken de duinen van Nili Patera op zandduinen als die in de droge Victoriavallei op Antartica. Wat het Marszand in beweging brengt, is echter nog onduidelijk.
-
BERICHT VAN 9 05 2012 OM 01:00 UUR
In Londen vindt vandaag (9 mei) de officiële overdracht plaats van het Mid InfraRed Instrument (MIRI) door ESA aan NASA. Het instrument is een camera en spectrometer voor de toekomstige James Webb Space Telescope (JWST), die zo gevoelig is dat hij een kaarsje op de afstand van Jupiter kan zien. MIRI zal worden verscheept naar NASA's Goddard Space Flight Center, waar het wordt geïntegreerd met de drie andere instrumenten van de JWST. MIRI opereert in het infrarood op een golflengte van 5 tot 28 micron en kan dwars door stofwolken heen kijken, waardoor kleine, zwakke objecten zoals sterren en planeten in wording gedetailleerd kunnen worden bestudeerd. Waarnemen op deze golflengte vergt een aantal technologische hoogstandjes, omdat het in het vacuüm van de ruimte plaatsvindt bij een temperatuur van -266,5 graden Celsius - dicht bij het absolute nulpunt. Daarvoor heeft MIRI een apart koelsysteem nodig. MIRI is ontworpen en gebouwd onder leiding van het Verenigd Koninkrijk in samenwerking met een aantal Europese partners, waaronder de Nederlandse Onderzoekschool voor Astronomie (NOVA). Op infraroodgebied bouwde Nederland eerder mee aan de spectrometer van de Infrared Space Observatory en het VISIR-instrument van de Very Large Telescope van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht in Chili. De JWST wordt gelanceerd in 2018, waarna MIRI aan zijn wetenschappelijke missie kan beginnen.
-
BERICHT VAN 9 05 2012 OM 01:00 UUR
Op het oppervlak van de zon heeft zich een nieuwe grote zonnevlekkengroep ontwikkeld. Het complex bestrijkt een 100.000 kilometer groot gebied en omvat minstens vier afzonderlijke zonnevlekken die groter zijn dan de aarde. Zonnevlekken zijn relatief donkere plekken op de zon. Ze ontstaan op plaatsen waar krachtige magnetische velden de warmte-aanvoer uit het inwendige van de zon hinderen, waardoor de temperatuur ter plaatse 1000 tot 1500 graden daalt. Grote groepen zonnevlekken, zoals het nu verschenen gebied AR 1476, zijn vaak de bron van grote uitbarstingen. Zo heeft AR 1476 de afgelopen dagen al een aantal lichte en middelzware zonnevlammen geproduceerd. Twee daarvan gingen gepaard met zogeheten coronale massa-emissies (CME's) die op de aarde af komen. De plasmawolken van de twee CME's zullen in de loop van woensdagmiddag 9 mei en donderdagochtend 10 mei arriveren. Verwacht wordt dat ze gematigde verstoringen van het aardmagnetische veld zullen veroorzaken. Dat betekent dat er de komende dagen een verhoogde kans op poollicht is.
-
BERICHT VAN 8 05 2012 OM 01:00 UUR
Met NASA's infraroodsatelliet Spitzer is voor het eerst licht van een relatief kleine planeet buiten ons zonnestelsel waargenomen. De planeet, die om de nabije ster 55 Cancri draait en zelf 55 Cancri e wordt genoemd, is onleefbaar heet. 55 Cancri is twee keer zo groot en acht keer zo zwaar als onze planeet, maar kleiner dan een reuzenplaneet als Neptunus. Hij valt daarmee in de categorie van de 'superaardes'. Het was astronomen al gelukt om, met Spitzer en andere telescopen, te onderzoeken hoe het licht van 55 Cancri verandert wanneer de planeet voor deze ster langs schuift. Nu is echter ook rechtstreeks het infraroodlicht van de planeet zelf waargenomen. Uit de waarneming blijkt onder meer dat zijn oppervlak donker is en dat de temperatuur aan de dagzijde kan oplopen tot meer dan 1700 graden. Vermoed wordt dat 55 Cancri e het restant is van een Neptunus-achtige reuzenplaneet, waarvan een groot deel is 'weggekookt'.
-
BERICHT VAN 7 05 2012 OM 01:00 UUR
Supernova's van type Ia blijken in twee varianten voor te komen, volgens sterrenkundigen van het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics. De exploderende sterren worden onder andere gebruikt voor onderzoek aan de uitdijingsgeschiedenis van het heelal. Tot nu toe was echter onduidelijk hoe ze precies ontstaan.
Wat zeker is, is dat Ia-supernova's het gevolg zijn van de volledige detonatie van een witte dwergster die op de een of andere manier zwaarder dan een bepaalde kritische massa is geworden. Maar zoiets kan op twee manieren gebeuren: door de versmelting van twee witte dwergen in een dubbelstersysteem, of doordat een witte dwerg materie opzuigt van een begeleider. In dat laatste geval verwacht je dat de supernova de 'vingerafdruk' bevat van gas dat afkomstig is van die begeleider.
Onderzoek aan 23 Ia-supernova's laat nu zien dat beide typen explosies voorkomen: met en zonder gas. Dat doet vermoeden dat beide ontstaansscenario's een rol spelen, en dat er dus twee varianten van Ia-supernova's bestaan.
Hoe het mogelijk is dat die twee soorten vrijwel exact dezelfde explosie-helderheid vertonen, ondanks de verschillende ontstaanswijze, is niet duidelijk. Wel zullen sterrenkundigen bij hun onderzoek aan de uitdijingsgeschiedenis van het heelal voortaan rekening moeten houden met het vóórkomen van twee verschillende soorten explosies.
-
BERICHT VAN 7 05 2012 OM 01:00 UUR
Planetenstelsels die zware gasvormige reuzenplaneten in kleine omloopbanen bevatten - zogeheteh 'hete Jupiters' - bevatten geen leefbare aarde-achtige planeten. Die conclusie trekt een team van astronomen onder leiding van Alan Boss van het Carnegie Institution for Science in Washington in een artikel in de Proceedings of the National Academies of Sciences.
De eerste exoplaneten die vanaf 1995 zijn ontdekt, waren bijna allemaal hete Jupiters. Vermoedelijk gaat het om reuzenplaneten die op grotere afstand van hun moederster zijn ontstaan, maar al snel na hun geboorte naar binnen migreerden. Pas later, onder andere door de ruimtetelescoop Kepler, werden er ook planetenstelsels ontdekt waarin kleine, aarde-achtige planeten voorkomen in de bewoonbare zone van hun moederster.
Boss en zijn collega's hebben nu bij 63 planetenstelsels met hete Jupiters gezocht naar de aanwezigheid van kleinere, aarde-achtige planeten. Voor het bestaan daarvan werden geen aanwijzingen gevonden. In stelsels met 'warme Jupiters' (gasreuzen op iets grotere afstanden van hun moederster) en 'hete Neptunussen' (lichtere gasplaneten op kleine afstand van hun ster) werden wél aanwijzingen gevonden voor het bestaan van kleinere, lichtere planeten.
De voorlopige conclusie luidt dat de migratie van Jupiter-achtige reuzenplaneten een pasgeboren planetenstelsel zo sterk kan verstoren dat eventuele kleinere, aarde-achtige planeten het stelsel uit geslingerd worden.
-
BERICHT VAN 5 05 2012 OM 01:00 UUR
De Volle Maan in de nacht van zaterdag 5 op zondag 6 mei is extra groot en helder. Dit zogeheten 'supermaan'-verschijnsel ontstaat doordat de baan van de maan geen volmaakte cirkel is, maar een ellips. De afstand van de maan tot de aarde is daardoor niet altijd precies even groot. In de vroege ochtend van zondag 6 mei bereikt de maan zelfs de kleinste afstand tot de aarde van het hele kalenderjaar: 356.953 kilometer (gemeten van middelpunt tot middelpunt). Dat gebeurt vrijwel exact op het moment van Volle Maan.
De supermaan van komende nacht is ca. 7,5 procent groter en 16 procent helderder dan een gemiddelde Volle Maan. Vergeleken met de kleinste en zwakste Volle Maan die mogelijk is, bedraagt het verschil in grootte zelfs 14 procent, en het verschil in helderheid 30 procent.
Een laagstaande Volle Maan lijkt sowieso groter dan normaal als gevolg van de zogheten 'maan-illusie'. Dat is echter gezichtsbedrog, dat vermoedelijk ontstaat doordat de maan in hetzelfde beeldveld wordt waargenomen als bekende objecten aan de horizon. Dat de maan komende nacht iets groter is dan normaal, zal dan ook nauwelijks opvallen. Dat hij ook extra helder is, kan echter wél geconstateerd worden.
-
BERICHT VAN 4 05 2012 OM 01:00 UUR
Met de Japanse 8,2-meter Subaru-telescoop op Mauna Kea, Hawaii, is een protocluster van sterrenstelsels ontdekt op een afstand van 12,7 miljard lichtjaar van de aarde. Dat betekent dat de cluster-in-wording al bestond toen het heelal nog maar ca. één miljard jaar oud was. De ontdekking is gepubliceerd in The Astrophysical Journal.
Sterrenstelsels zoals ons eigen Melkwegstelsel zijn gegroepeerd in clusters en superclusters. Hoe deze groteschaalstructuur van het heelal precies is ontstaan, is niet goed bekend. De ontdekking van clusters in de prille jeugd van het heelal kan dan ook bijdragen aan een beter begrip van dat proces. De vorming van clusters heeft in elk geval op de een of andere manier invloed op de eigenschappen van de sterrenstelsels die erin voorkomen: sterrenstelsels in clusters zijn in het algemeen bijvoorbeeld zwaarder dan sterrenstelsels die géén deel uitmaken van grote clusters.
De protocluster werd ontdekt in het Subaru Deep Field, een klein gebiedje aan de sterrenhemel dat zeer gedetailleerd is bestudeerd met de Japanse reuzentelescoop. De sterrenstelsels in de verre protocluster verschillen niet noemenswaard van de sterrenstelsels in de omgeving. Dat doet vermoeden dat de invloed van een cluster op de stelsels die erin voorkomen zich pas in een later stadium doet voelen.
-
BERICHT VAN 4 05 2012 OM 01:00 UUR
In de vroege ochtend van 6 juni schuift de planeet Venus als een donker stipje voor de zon langs. Dat zeldzame hemelverschijnsel, dat maar ongeveer twee keer per eeuw optreedt - en dan vrij kort achter elkaar, zal niet alleen door duizenden (amateur)astronomen op aarde worden gevolgd, maar ook door de Hubble-ruimtetelescoop. Dat gaat echter niet zomaar: de gevoelige ruimtetelescoop, juist gebouwd om de allerzwakste objecten te detecteren, kan namelijk niet rechtstreeks op de zon worden gericht. In plaats daarvan zal Hubble naar het sterk verzwakte zonlicht kijken zoals dat door de maan wordt weerkaatst. Hoofddoel van deze onderneming is de detectie van de sporen die Venus in het zonlicht achterlaat. Tijdens de Venusovergang gaat namelijk één honderdduizendste deel van het zonlicht door de atmosfeer van de planeet voordat het bij de maan aankomt. En dat zou in minuscule 'vingerafdrukken' in het spectrum van het door de maan weerkaatste zonlicht moeten resulteren. Nu is allang bekend wat de samenstelling van de Venusatmosfeer is. Dat is dan ook niet het doel van de meting: astronomen zijn vooral benieuwd of de spectrale sporen van Venus, die ongeveer net zo groot is als onze aarde, überhaupt waarneembaar zijn in het licht van de zon. In de toekomst zal op vergelijkbare wijze worden geprobeerd om de atmosferische vingerafdrukken waar te nemen van verre, aarde-achtige planeten die van ons uit gezien voor hun moederster langs schuiven. Tijdens de Venusovergang zal de ruimtetelescoop zeven uur lang op de maankrater Tycho zijn gericht. Een groot deel van deze waarneemtijd gaat overigens verloren, omdat de maan elk anderhalf uur - de omlooptijd van Hubble - door de aarde wordt 'verduisterd'.
-
BERICHT VAN 3 05 2012 OM 01:00 UUR
Amerikaanse onderzoekers hebben een nieuwe aanwijzing gevonden dat de atmosfeer van de planeet Mars ooit veel minder ijl en droog was dan nu. Het bewijsstuk is een overblijfsel van een oude vulkaanuitbarsting dat door het Marswagentje Spirit is bekeken. Ruwweg drieënhalf miljard jaar geleden werden bij een vulkaanuitbarsting op Mars stukken gesmolten gesteente de lucht in geblazen. Eén van die 'vulkanische bommetjes' plofte neer in de buurt van de latere landingsplaats van Spirit, stolde en bleef tot op de dag van vandaag in zijn eigen kuiltje liggen. Aan de hand van foto's die Spirit heeft gemaakt, hebben de wetenschappers de grootte, diepte en vorm van het kuiltje gemeten. Ook werd gekeken naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Vervolgens hebben de onderzoekers deze bodem zo goed mogelijk nagebootst en deeltjes van verschillende materialen (glas, gesteente en staal) met verschillende snelheden laten inslaan. Daarbij werd ook het vochtigheidsgehalte van de bodem gevarieerd - van kurkdroog tot doorweekt. Uit het onderzoek blijkt dat het kuiltje op Mars het best kan worden nagebootst in een natte bodem. Ook werd vastgesteld dat de vulkanische bom met een snelheid van minder dan 40 meter per seconde moet zijn ingeslagen. Die pieksnelheid is alleen verklaarbaar als de dichtheid van de Marsatmosfeer destijds minstens twintig keer zo hoog was als nu.
-
BERICHT VAN 3 05 2012 OM 01:00 UUR
De bliksemontladingen die in planeetatmosferen plaatsvinden, kunnen indirect worden gebruikt om de atmosferische samenstelling te onderzoeken. Dat schrijven Amerikaanse wetenschappers in het meest recente nummer van The Astrophysical Journal. Vijftig keer per seconde flitst er ergens op aarde een bliksem. Tezamen produceren deze ontladingen elektromagnetische golven die rond de aarde cirkelen. Het resultaat: een kloppende puls tussen de grond en het onderste gedeelte van de ionosfeer, ongeveer honderd kilometer boven het aardoppervlak, die Schumann-resonantie wordt genoemd. Tot 2011 was deze elektromagnetische signatuur alleen vanaf de aarde waargenomen. Maar vorig jaar ontdekten wetenschappers dat zij ook detecteerbaar was met een instrument aan boord van een satelliet van de Amerikaanse luchtmacht. Volgens de onderzoekers kan deze nieuwe techniek ook worden gebruikt om andere planeten in het zonnestelsel te onderzoeken. De frequentie van de Schumann-resonantie wordt namelijk niet alleen bepaald door de afmetingen van de planeet, maar ook door het soort atomen en moleculen dat in de atmosfeer voorkomt. In principe maakt de techniek het mogelijk om van een hoogte van bijvoorbeeld duizend kilometer de hoeveelheden water, methaan en ammoniak te meten. De samenstelling van een planeetatmosfeer kan ook op andere manieren worden gemeten, maar die metingen beperken zich doorgaans tot specifieke gebieden. Via de Schumann-resonantie kan informatie worden verkregen over de globale dichtheid van bijvoorbeeld water op de planeet. Zulk onderzoek zou vooral interessant zijn bij de grote buitenplaneten van ons zonnestelsel. Vermoed wordt namelijk dat hun atmosferen een betrouwbare afspiegeling zijn van de wolk oergas waaruit het zonnestelsel is ontstaan.
-
BERICHT VAN 3 05 2012 OM 01:00 UUR
De Poolster, ook bekend als Polaris, verliest mogelijk meer massa dan gedacht. Dat meldt de website van het tijdschrift Earth. Dat er met de Poolster iets bijzonders aan de hand is, is al meer dan anderhalve eeuw bekend. De ster varieert met een periode van vier dagen een beetje in helderheid. En dat komt doordat hij afwisselend een beetje uitzet en weer inkrimpt. Met dit gedrag valt de Poolster in de categorie van de cepheïden - relatief zware sterren die tegen het einde van hun leven instabiel worden. Uit waarnemingen van recentere datum blijkt dat de ster geleidelijk steeds trager is gaan pulseren, al vindt er soms ook een kleine versnelling plaats. En ondertussen verliest hij ook materie. Astronomen van de universiteit van Bonn en twee Amerikaanse instituten denken dat dit massaverlies wel eens heviger zou kunnen zijn dan aanvankelijk werd ingeschat. Zij komen tot die conclusie, omdat de computermodellen die op basis van de bekende eigenschappen van de Poolster zijn gemaakt een ander verloop van zijn pulseergedrag voorspellen dan de waarnemingen laten zien. Door het massaverlies in het model een beetje op te schroeven, kon dit verschil echter worden weggewerkt. Als de Poolster jaarlijks ongeveer één aardmassa aan materie uitstoot, stemmen theorie en waarnemingen goed overeen.
|
Mail deze pagina |
Framebreker
Copyright © 1997- - bommeltje.nl