Verloop van de grondtemperatuur op een bepaalde plaats gedurende een
etmaal. Afhankelijk van de grondsoort is dit verloop belangrijk kleiner dan
dat van de luchttemperatuur aan het aardoppervlak en bovendien iets in tijd
verschoven. Op wat grotere diepte, zo′n 40 tot 50 cm, is de bodemtemperatuur
vrijwel constant. Het bovenste laagje van de grond aan het aardoppervlak heeft
in het algemeen daarentegen een veel grotere dagelijkse gang. Overdag door
directe aanwarming door de zon en in de nacht door uitstraling.
Dagelijkse gang van de temperatuur
Verloop van de temperatuur op waarnemingshoogte op een bepaalde plaats
gedurende een etmaal. Grafisch uitgezet, heeft dit verloop ongeveer de vorm
van een sinuskromme. De maximumtemperatuur wordt in de regel halverwege de
middag gemeten en de minimumtemperatuur valt doorgaans aan het einde van de
nacht, omstreeks zonsopkomst. In het algemeen geldt dat bij veel bewolking de
maximum- en minimumtemperatuur niet ver uit elkaar liggen: de dagelijkse gang
is in dat geval klein. Omgekeerd is bij weinig bewolking de dagelijkse gang in
de temperatuur doorgaans groot.
Dagelijkse
gang van de wind
Verloop van windrichting en windsnelheid gedurende een etmaal. Door
dichtheidsverschillen van de lucht, ten gevolge van temperatuursinvloeden,
overdag en in de nacht zal in het algemeen overdag de wind meer geruimd en
bovendien iets krachtiger zijn dan tijdens de nacht.
Dagzicht
Grootste afstand, vanaf de waarnemer, waarop een zwart voorwerp van
voldoende grootte tegen een heldere horizon te zien en te herkennen is. Het
als zichtmerk gekozen voorwerp moet zowel horizontaal als verticaal in een
vlak van 0,5 tot 5 booggraden passen.
Dalmist
(ook: heuvelmist) Deze mist ontstaat als stralingsmist. Vanwege het gebrek aan wind en menging met de
boven lucht kan deze mist in heuvel- en bergachtige gebieden in de luwte van
de dalen bijzonder hardnekkig zijn. Een hoeveelheid vochtige lucht die in zo′n
dal ′gevangen′ zit, komt er maar heel moeilijk weer uit.
Dalwind
Tegenovergestelde van een bergwind. Beide winden zijn, net als de land- en zeewind,
lokale winden die optreden ten gevolge van de dagelijkse gang van de
temperatuur. De dalwind is een warme wind, die overdag vanuit het dal
bergopwaarts waait. Hij ontstaat doordat de lucht aan de grond in het dal
overdag door de zon sterker wordt verwarmd dan de lucht daarboven. De warme
lucht stijgt op langs de berghellingen.
Dampdruk
De druk die het gas waterdamp, als onderdeel van het gasmengsle lucht,
uitoefent op zijn omgeving (ook wel dampspanning genoemd).
Afzetsel van waterdruppels op voorwerpen, door rechtstreekse condensatie
van waterdamp uit de omringende lucht. Koude lucht kan minder vocht bevatten
dan warme lucht. Bij afkoeling kan de vochtige lucht het dauwpunt (=
condensatiepunt) bereiken. Als de temperatuur onder het vriespunt is, ontstaat
geen dauw, maar rijp. Er worden twee soorten dauw onderscheiden, namelijk de
stralingsdauw en de advectieve dauw.
Dauwboog
Vrijwel op de grond liggende regen boog, die wel wordt waargenomen op
bijv. bedauwde weilanden. Deze boog ontstaat op dezelfde manier als de
regenboog, echter nu niet in regendruppels, maar in dauwdruppels op de grond.
Dauwpunt
(ook: condensatietemperatuur) Temperatuur van de lucht, waarbij
condensatie begint op te treden doordat de verzadigingsdampspanning van de
daarin aanwezige waterdamp is bereikt. De relatieve vochtigheid is dan 100%.
Dauwpuntsdepressie
Verschil tussen de actuele temperatuur en het dauwpunt. De
dauwpuntsdepressie is een maat voor de hoeveelheid vocht in de lucht.
Decade
Een periode van 10 dagen. De eerste decade is dus van dag 1 t/m dag 10
van de maand, de tweede decade is van dag 11 t/m dag 20 en de derde
decade is van dag 21 t/m de laatste dag van de maand.
Decadegemiddelde
Gemiddelde van een bepaalde meteorologische grootheid over een periode van
tien dagen.
Declinatie
Afwijking, die de kompasnaald aangeeft ten opzichte van de geografische
noordpool. De kompasnaald wijst niet altijd precies naar het noorden. De
oorzaak daarvan is dat de magnetische polen en de geografische polen niet
exact samenvallen. De waarde van de declinatie hangt af van de plaats waar men
zich op aarde bevindt. Bovendien liggen de magnetische polen niet vast, maar
bewegen zij langzaam in de buurt van de geografische polen. Dit betekent dat
ook de declinatie niet altijd gelijk is.
Deflatie
(ofwel: uitblazing) Transport van materiaal vlak boven het aardoppervlak
door de wind. Bij sterke wind kan in een droog gebied, wanneer het bedekt is
met los materiaal zoals zand, het fijnere zand tussen het grovere worden
uitgeblazen, waardoor grote stofwolken ontstaan. Uiteindelijk kan dit proces
zo ver doorgaan, dat aan het oppervlak alleen nog maar grotere stenen een
laagje vormen (keienvloer). Het is een vorm van eolische erosie, waardoor
woestijnen ontstaan en zich verplaatsen.
Deformatiethermometer
Soort van thermometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de verandering van
vorm van bepaalde stoffen bij verandering van temperatuur. De mate van de
vormverandering is dan een indicatie voor de heersende temperatuur.
Voorbeelden van deformatiethermometers zijn de bimetaalthermometer, de Bourdon-thermometer en de kwik-in-staalthermometer.
Densiteit
Dichtheid. Hier van bewolking.
Depositie
Is het neerslaan van allerhande luchtdeeltjes (aerosolen genaamd) op het
aardoppervlak.
Depressie
Lagedrukgebied.
Depressiebaan
Route die een lagedrukgebied volgt. Door deze op een weerkaart vast te
leggen kan de meteoroloog hieruit, in combinatie met de patronen van de
isallobaren, een indicatie verkrijgen omtrent de vermoedelijke vervolgkoers
van de depressie. Tegenwoordig leveren vooral de meteorologische modellen
hierover bruikbare informatie.
Depressiefamilie
Reeks van lagedrukgebieden, die alle bij hetzelfde front horen. Die
lagedrukgebieden (L) worden doorgaans gescheiden door een zwakke rug van hoge
luchtdruk (H). Wanneer we eenmaal met zo′n depressiefamilie te maken hebben
heeft het weer een uitermate wisselend karakter.
Depressiekern
Punt in een lagedrukgebied waar de laagste luchtdruk wordt gevonden. Alle
lucht, met inbegrip van wolken en eventuele slechtweergebieden, draait in een
cyclonale luchtbeweging rondom dit punt.
Dichte mist
We spreken van dichte mist als het zicht minder is dan 200 meter.
Diepvrieskou
Als de minimumtemperatuur beneden de -20°C komt spreken we van
diepvrieskou. Dit is voor Nederland uitzonderlijk.
Diepzeethermometer
(ookwel: kantelthermometer, omkeerthermometer). Een glasthermometer,
gevuld met kwik, waarmee op zeer grote diepten de temperatuur van het zeewater
kan worden bepaald. Het instrument bestaat uit een hoofdthermometer en een
hulpthermometer. De hulpthermometer dient om tijdens de aflezing de
omgevingstemperatuur van de hoofdthermometer te bepalen om op die manier een
correctie op de aflezing van de hoofdthermometer aan te kunnen brengen. De
aflezing vindt immers onder heel andere omstandigheden plaats, nl. boven
water, dan waaronder wordt gemeten, nl. op grote diepte. Tussen het (vrij
grote) kwikreservoir en het capillair met de schaalverdeling van de
hoofdthermometer is het capillair gekruld. Dat stuk wordt ook wel
′varkensstaart′ of ′appendix′ genoemd. Het instrument wordt met het
kwikreservoir omlaag rechtstandig in het water neergelaten. Op de gewenste
diepte wordt de thermometer 180° gekanteld. Door een vernauwing in de krul,
breekt op het kantelmoment de kwikdraad altijd op dezelfde plaats. Het
kwikniveau verandert dan niet meer. Boven water wordt het instrument
afgelezen.
Diffluante stroming
Stromingspatroon van de lucht, waarbij de stroomlijnen verder van elkaar
af komen te liggen en er in de stromingsrichting dus sprake is van een
snelheidsafname van de luchtstroming.
Diffractie
Is de buiging van licht. Diffractie leidt tot verschillende optische
verschijnselen aan de hemel.
Diffuus
Naar alle richtingen verstrooid; bij lucht of warmtestraling.
Diffuus front
Vooral wanneer een front langere tijd boven een bepaald gebied blijft
hangen en zelfs stationair wordt, vervagen vaak de verschillen in
eigenschappen aan beide kanten van het front. Het front is dan op een bepaald
moment nauwelijks meer te herkennen.
Dikte
Bij de analyse van een weersituatie wordt onder meer gezocht naar
temperatuurverschillen. Aangezien de dikte van een luchtlaag evenredig is aan
de heersende temperatuur, is deze dikte een bruikbare grootheid. Een luchtlaag
reageert vergelijkbaar met een homogeen materiaal. Bij hogere temperaturen zet
de luchtlaag uit en wordt dus dikker. Een groot verschil in dikte over een
relatief kleine afstand, een grote diktegradiënt dus, duidt op een grens
tussen verschillende luchtsoorten: de aanwezigheid van een front.
Diktekaart
(ookwel: relatieve topografie) Weerkaart met diktelijnen. Diktekaarten
zijn nuttige hulpmiddelen voor de meteoroloog bij het analyseren van
weersituaties. De dikte van een luchtlaag is evenredig aan de heersende
temperatuur in die laag. Bij een groot verval, dus op de grens tussen
luchtlagen met verschillende dikten, zal een front gevonden kunnen worden. Op
de diktekaarten worden doorgaans de dikten van de lagen tussen 1000 hPa, 850
hPa en 500 hPa beschouwd.
Diktelijn
(ookwel: isobath). Lijn die punten verbindt met gelijke dikte van een
bepaalde luchtlaag. Vaak wordt hierbij de laag tussen 1000 en 500 hPa
beschouwd. De thermische wind waait ongeveer evenwijdig aan de diktelijnen
(isobathen).
Divergentie
(letterlijk.: het van één punt uiteenlopen). Een divergerende
luchtstroom is een luchtstroom waarin de luchtdeeltjes van elkaar wegstromen.
Een hogedrukgebied heeft aan het aardoppervlak een divergerende luchtstroming.
Divergenties in de bovenlucht hangen samen met drukdalingen en dus met de
vorming van een lagedrukgebied aan het aardoppervlak. Door het uiteenstromen
van de luchtdeeltjes dreigt in de bovenI ucht een ′tekort′ aan lucht, hetgeen
van onderaf wordt aangevuld. De stijgende luchtbewegingen, die daarvan het
gevolg zijn, geven aan de grond dalingen van de luchtdruk en dus de vorming
van een lagedrukgebied. Divergentie is het tegenovergestelde van convergentie.
D-klimaat
Continentaal klimaat volgens de indeling van de klimatoloog Köppen. De
D-klimaten komen uitsluitend voor op de grote continenten van het noordelijk
halfrond tussen 40 en 80° NB, in de brongebieden van de continentaal polaire
lucht. Door de beperkte zee-invloed zijn de verschillen tussen zomer- en
wintertemperatuur groter dan bij een zeeklimaat De jaarlijkse gang van de
temperatuur bedraagt ten minste 13°C. De gemiddelde temperatuur van de koudste
maand is lager dan -3°C, terwijl de temperatuur van de warmste maand boven de
10°C blijft. Wat de neerslag betreft, onderscheidt Köppen bij het D-klimaat
drie klimaten:
Het type Ds: met de droge periode in de zomer. Dit
klimaat komt niet voor, vanwege de aanwezigheid van een thermisch
lagedrukgebied.
Het type Dw: Dit is het meest continentale klimaat, met
zeer droge winters, samenhangend met een thermisch hogedrukgebied. Het komt
uitsluitend voor in Oost-Siberië en Noord-China.
Het type Df: een vochtig en koud klimaat. Wat betreft
de neerslaghoeveelheid is er geen significant verschil tussen de winter en
de zomer. Het Df-klimaat vindt men vooral langs de westkusten van de
noordelijke continenten.
Doctor
Lokale wind in Australië. Het is een typische zeewind, die aan de in het
zuidoosten gelegen kusten van West-Australië waait.
Doldrum
(ookwel: equatoriale stiltegordel). Continu thermisch lagedrukgebied in
de omgeving van de evenaar. In de tijd van de handelsvaart met zeilschepen
waren deze doldrums, vanwege het soms langdurig totaal ontbreken van wind,
uiterst hinderlijk. Deze stiltegordel verplaatst zich in onze zomer tot
ongeveer 12° NB op de oceanen en tot dichtbij de kreeftskeerkring op de
continenten. In de winter verplaatst de gordel zich weer zuidwaarts. De
doldrums maken deel uit van de algemene Iuchtcirculatie.
Donder
Rommelend of explosief geluid dat bij onweer te horen is. Het geluid
ontstaat door de zeer hoge temperatuur die zich in minder dan één duizendste
seconde in de bliksemstraal vormt. De lucht in de onmiddellijke nabijheid van
de straal zet door de snelle temperatuurstijging in de bliksemstraal zeer snel
uit. Deze uitzetting veroorzaakt een plotselinge drukgolf, die als donderend
geluid te horen is. De donder verplaatst zich met de snelheid van het geluid,
ongeveer 300 m per seconde. Dat betekent dat wanneer er tussen de bliksem en
de donder 10 seconden verlopen, de ontlading op een afstand van ongeveer 3 km
heeft plaatsgevonden. Het rommelende geluid wordt veroorzaakt doordat niet
alle delen van de straal even ver weg zijn. Bij bijvoorbeeld een horizontale
ontlading kan de ene kant vlak bij zijn, terwijl het uiteinde zich 6 km verder
bevindt. In geluid levert dat een tijdsverschil van 20 seconden op. Een
dergelijke donder zou dus wel 20 seconden lang kunnen rommelen.
Dooi
Het moment dat na een periode met vorst de temperatuur van de lucht boven
het vriespunt komt. De term wordt alleen gebruikt binnen 24 uur na de inval
van de dooi. Voor het etmaal daarna kan eventueel de term ′aanhoudende dooi′
worden gebruikt.
Doorlatendheid
Mate waarin licht door een hoeveelheid lucht heen kan dringen. De
doorlatendheid wordt o.m. bepaald door het gehalte aan vocht in de lucht. Bij
nevel of mist is er veel vocht in de lucht aanwezig, waardoor weinig licht
wordt doorgelaten. Maar ook aërosolen kunnen het horizontale zicht sterk
beperken. In onze omgeving is vrijwel uitsluitend sprake van industriële
aërosolen. Deze worden door de eigen industrie in de lucht gebracht, maar bij
geschikte (zuidoosten) wind ook uit het Duitse Ruhr-gebied aangevoerd. Er
wordt in deze gevallen niet van nevel of mist gesproken, maar van heiigheid.
Doosbarograaf
Doosbarometer die door middel van een bepaald mechanisme continu de
luchtdruk met een pen op een papieren strook registreert.
Doosbarometer
Aneroïde barometer, bestaande uit een geheel gesloten doos (doos van Vidi), die vrijwel geheel luchtledig is. Aan beide
zijden is de doos afgesloten met een dunne metalen membraan, die onder invloed
van de luchtdruk wordt ingedrukt. Aan het oppervlak van de membranen is een
verend wijzermechanisme aangebracht, waarmee de indrukking op een
schaalverdeling zichtbaar wordt gemaakt. De mate van indrukking is op deze
manier een maat voor de heersende luchtdruk.
Doppler,
Christian Johann
(1803-1853) Oostenrijks wiskundige en fysicus. Doppier werd vooral bekend
door het door hem in 1842 afgeleide en naar hem genoemde Doppler-effect.
Beweegt bijvoorbeeld een ster zich van een waarnemer af, dan is de waargenomen
kleur ten opzichte van de uitgezonden kleur naar het rood verschoven. Beweegt
zij daarentegen naar de waarnemer toe, dan is die naar het blauw
verschoven.Het verschijnsel komt bij alle golfvoortplantingen voor. Ook bij
elektromagnetische golven, die bij de radar worden gebruikt.
Dopplerradar
Met een speciale radar wordt er gekeken naar de richting waarin
waterdruppeltjes bewegen. Hiermee kan men bepalen of er rotatie in een bui
aanwezig is. Hoe krachtiger de rotatie, hoe groter de kans op een tornado.
Downburst
Ookwel valwind genoemd. Een sterke neerwaartse stroming van lucht in een
zware bui. Het doet zich voor op die plaatsen waar de koude lucht, die met
de neeslag mee hoog uit de wolk op het aardoppervlak wordt gesmeten, uit de
bui stroomt. Dergelijke sterke valwinden kunnen aan het aardoppervlak
snelheden tot 200 km/uur bereiken en schade aanrichten op een manier die doet
denken aan schade die ook van een windhoos het gevolg zou kunnen zijn. Bomen
vallen daarbij om als luciferhoutjes, maar doen dat allemaal in dezelfde
richting. Daaraan is zo'n valwind goed te herkennen.
Draconische maand
Tijd die de maan nodig heeft om van knoop naar knoop te gaan (zie knooppunt).
Dramundan
Lokale wind in het zuiden van Frankrijk. Het is een koude noordwestenwind,
die langs de Pyreneeën bij Perpignan waait, met mistralkenmerken.
Driftsneeuw
Sneeuw die door een voldoende sterke en turbulente wind van de grond wordt
opgewerveld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen lage en hoge driftsneeuw. Bij
lage driftsneeuw wordt het horizontaal zicht op ooghoogte, per definitie 1,80
m boven de grond, niet merkbaar verminderd. Bij hoge driftsneeuw is dat wel
het geval.
Driftstroom
Zeestroom die een direct gevolg van de wind is. Bekende voorbeelden zijn
de zeestromen die ontstaan door de passaten, de moessondriften en de
zeestromen als gevolg van overheersende westenwinden op middelbare breedten.
Drijfijs
Drijvende ijsschotsen. De ijsschotsen ontstaan door breken van een ijslaag
op het water ter plaatse of worden met de stroming aangevoerd.
In de meteorologie gebruikte benaming voor de temperatuur van de lucht.
Het verschil tussen deze droge-boltemperatuur en de natte-boltemperatuur is
een maat voor de hoeveelheid vocht in de lucht. De droge-boltemperatuur wordt
in het algemeen gemeten met een drogebolthermometer. Ook wanneer de
temperatuur van de lucht echter met een elektrische thermometer gemeten is,
wordt deze wel de droge-boltemperatuur genoemd. Zie ook psychrometer
en natte
bol temperatuur.
Droge lucht
Lucht die niet is verzadigd met waterdamp.
Droogadiabatisch
Een adiabatisch proces, waarbij de verdampings- of
condensatiewarmte geen rol speelt.
Onder een droogteperiode wordt verstaan een aaneengesloten periode van
minstens 20 dagen zonder meetbare (<0,1 mm) neerslag.
Drukbalanemometer
Anemometer die werkt op de drukkracht van de wind. Op een verticaal
geplaatst verend onderstel is een bol(letje) bevestigd. De verplaatsing van de
bol ten gevolge van de winddruk is hierbij maat voor de windsnelheid.
Drukbuisanemometer
Anemometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de winddruk. Met behulp van
een windvaan wordt een buis met de opening tegen de wind in gehouden. Doordat
de binnenkomende lucht niet onbelemmerd de buis weer kan verlaten, zal in de
buis een overdruk ontstaan. De grootte van het drukverschil binnen en buiten
de buis is maat voor de windsnelheid. Een anemometer van dit type werd al in
1890 door de Engelsman Dines geconstrueerd.
Drukgradiënt
Is het verschil in druk over een bepaalde afstand. Hoe groter de
drukgradiënt is, hoe groter de windsnelheid. Bij een zeer kleine drukgradiënt
is het haast windstil.
Drukplaatanemometer
Zeer oud type anemometer. De Italiaan Leon Battista Alberti gebruikte dit
principe al rond het jaar 1450. Korte tijd later experimenteerde ook Leonardo
da Vinci (1452-1519) met de drukplaat. Het principe is dat de winddruk een
verticale, scharnierend opgehangen plaat uit de neutrale stand brengt. De hoek
waaronder die plaat komt te hangen, is dan maat voor de windsnelheid. Een
voorbeeld van een drukplaatanem0meter is de zgn. wildse vaan.
Drukveld
Patroon van de luchtdrukverdeling in een bepaald gebied. Hoe groter de
luchtdrukgradiënt in het drukveld, des te groter de windsnelheid in dat
gebied.
Drukvlak
(ook: isobarisch vlak) Vlak waarop de luchtdruk overal gelijk is. Een vlak
van gelijke luchtdruk golft door de atmosfeer, omdat de luchtdruk niet overal
gelijk is. Voor het verkrijgen van een driedimensionaal beeld van de atmosfeer
zijn analyse en prognose van een weerkaart onvoldoende. Er is ook behoefte aan
inzicht in de onderlinge samenhang van de meetresultaten van meerdere
weerballonnen. Omdat de luchtdichtheid met toenemende hoogte afneemt, worden
vergelijkingen tussen de diverse hoogten erg moeilijk. Daarom worden er geen
beschouwingen gemaakt van diverse horizontale vlakken, maar van een aantal
drukvlakken. Doorgaans worden de drukvlakken op 1000 hPa (op onze geografische
breedte gemiddeld op ongeveer 150 m hoogte), 850 hPa (ca. 1500 m), 700 hPa
(zo′n 3000 m), 500 hPa (ongeveer 5500 m) en 300 hPa (ongeveer 10.000 m hoogte)
beschouwd.
Dryline
Letterlijk vertaald: een droogtefront. Is de Engelse term voor een
gebied met zeer sterke gradiënt in dauwpuntstemperatuur. Ofwel een scherpe
begrenzing tussen vochtige, warme lucht en heel droge, zeer warme lucht. We
moeten dan denken aan temperaturen van meer dan 32°C en een relatieve vochtigheid van minder dan 20%. In dit gebied
kunnen zeer zware onweders ontwikkelen die dikwijls leiden tot tornado′s.
Duplicatus
Uit twee of meer (wolken)lagen bestaand.
Dust bowls
Stofstormen die ontstaan door verkeerd gebruik van landbouwgronden in
droge gebieden, zoals in de Verenigde Staten vanaf 1930. Door o.a. intensieve
beweiding van en zelfs akkerbouw op de prairie werd het grasland volledig
vernietigd. Na enkele tientallen jaren was de bodem volkomen uitgeput en
nauwelijks meer begroeid. In de uitzonderlijk droge zomer van 1930 kregen de
zomerstormen vat op de bodem en ontstonden er reusachtige stofstormen waardoor
duizenden boeren en veehouders uit het prairiegebied wegtrokken. De
Amerikaanse regering heeft in de jaren zestig en zeventig o.a. bos laten
aanplanten om verdere erosie te voorkomen.
Dwarswind
(ook: zijwind) windrichting loodrecht op een bepaald voorwerp. Vooral voor
vliegtuigen is een teveel aan dwarswind vaak lastig. Om die reden hebben veel
vliegvelden de beschikking over landingsbanen in diverse richtingen, zodat de
vliegtuigen zoveel mogelijk recht tegen de wind in kunnen landen en opstijgen.
Dynamische klimatologie
(ook: luchtsoortenklimatologie). Men kan een klimaat van een bepaalde
plaats beschrijven aan de hand van de eigenschappen van de optredende
luchtsoorten in de verschillende seizoenen op die plaats. Bovendien is het
belangrijk te weten hoe vaak een luchtsoort op die plaats gemiddeld voorkomt.
Bijvoorbeeld: lagedrukgebieden boven de noordelijke Atlantische Oceaan en een
hogedrukgebied boven de Azoren veroorzaken in onze omgeving een stroming uit
het zuidwesten. De aanvoer van maritiem gematigde lucht (mGL) levert in het
najaar doorgaans een overwegend bewolkt en wat druilerig, maar vrij zacht
weertype op. Deze kennis is vanzelfsprekend een dankbaar hulpmiddel voor de
meteoroloog. De methode heeft grote opgang gemaakt door een in 1952 verschenen
publicatie, opgesteld door de Duitse meteorologen Hess en Brezowsky: Katalog
der Groszwetterlagen Europa′s. Aan de hand van algemene meteorologische
situaties en circulaties worden tabellen met bijbehorende weerkarakteristieken
vermeld.
Dynamische meteorologie
Deel van de meteorologie dat zich bezighoudt met de natuurkundige en
wiskundige beschrijving van de bewegingen in de atmosfeer. De dynamische
meteorologie is de basis van de numerieke meteorologie.