Tijd die de aarde nodig heeft om één volledige baan rondom de zon af te
leggen: 365 dagen, 6 uur, 9 minuten en 9,02 seconden. Het kalenderjaar past
zich daarbij aan, doordat het 365 etmalen telt, maar elk jaar waarvan het
jaartal door 4 deelbaar is 366 etmalen heeft (schrikkeljaar). Uitzonderingen
vormen de jaren met een vol eeuwtal dat niet door 400 deelbaar is. Zo was het
jaar 1900 geen schrikkeljaar en is het jaar 2000 dat wel. Daarnaast zijn af en
toe nog kleinere correcties nodig.
Jaargemiddelde
Gemiddelde van een bepaalde meteorologische grootheid over een volledig
kalenderjaar.
Jaargetijde
(ook: seizoen) Jaarlijks terugkerende periode waarin het weer bepaalde
kenmerken vertoont. Een belangrijke oorzaak van het ontstaan van seizoenen
is de draaiing van de aarde gecombineerd met de schuine stand van de aardas.
De rotatieas van de aarde maakt een hoek van 66°33' ten opzichte van de zon.
Deze stand blijft gedurende de gehele omloop van de aarde rond de zon
hetzelfde. Het gevolg hiervan is dat gedurende de ene helft van de omloop het
noordelijk en tijdens de andere helft het zuidelijk halfrond van de aarde het
meest naar de zon is toegekeerd. Deze schuine stand van de aardas is dan ook
de oorzaak van de variërende duur van dag en nacht en van de afwisseling van
de jaargetijden. Op of rond 21 maart staat de zon loodrecht boven de
evenaar. Op deze dag begint op het noordelijk halfrond de astronomische lente,
op het zuidelijk halfrond de astronomische herfst. In de daaropvolgende
maanden staat de zon steeds verder boven het noordelijk halfrond. Op het
noordelijk halfrond worden de dagen dan langer en de nachten korter, terwijl
dit op het zuidelijk halfrond precies omgekeerd is. Op of rond 22 juni heeft
de zon een maximale noordelijke breedte bereikt en staat dan boven de
kreeftskeerkring op 23°27' NB. Op het noordelijk halfrond is dit de langste
dag van het jaar en op het zuidelijk halfrond de kortste dag. Het is het begin
van resp. de zomer en de winter. Ten noorden van 66°33' NB, de
noordpoolcirkel, gaat de zon dan zelfs helemaal niet meer onder (de pooldag),
terwijl zij ten zuiden van 66°33' ZB, de zuidpoolcirkel, niet meer opkomt (de
poolnacht). Na de 22ste juni komt de zon weer boven zuidelijker breedten te
staan en op of rond 23 september wordt opnieuw de evenaar gepasseerd. Op het
noordelijk halfrond begint dan de herfst, op het zuidelijk de lente. In de
volgende maanden blijven de dagen op het zuidelijk halfrond langer en op het
noordelijk halfrond korter worden. Op of rond 22 december bereikt de zon
haar maximale zuidelijke breedte en staat dan boven de steenbokskeerkring op
23°27' ZB. Op het gehele zuidelijk halfrond is dit de langste dag en op het
noordelijk de kortste dag. Hier begint dan resp. de astronomische zomer en de
astronomische winter. Na 22 december komt de zon weer boven noorderlijker
breedten en worden de dagen op het zuidelijk halfrond korter en op het
noordelijk langer, waarna op 21 maart de jaarcyclus is gesloten.
Jaarlijkse neerslag
Gemiddelde hoeveelheid neerslag die in een jaar in een bepaald gebied
valt. Om te weten of deze neerslag al dan niet gelijkmatig over het jaar
verdeeld is, kijkt men naar de jaarlijkse neerslagverdeling.
Jaarlijkse neerslagverdeling
Verdeling van de neerslag over de verschillende maanden van het jaar.
Jaunk
Lokale wind over het Karawankengebergte, op de grens van het voormalige
Joegoslavië en Oostenrijk. Het is een warme valwind vanuit het zuiden met
föhneigenschappen.
Lokale wind aan de oostzijde van de Zwitserse Jura. Het is een warme valwind, ook als dalwind aan te merken, vanuit het
noordwesten, met föhneigenschappen. Soms is de wind tot aan het Meer van
Neuchatel te voelen.