Typisch verschijnsel bij warme massa. Bij geringe windsnelheid en
voldoende afkoeling breidt deze wolkenlaag tijdens de nacht door afkoel vaak tot op het aardoppervlak uit en gaat hij over in mist. Bij voldoende wind
gaat deze vochtige laag overdag dan weer over tot laaghangende bewolking.
Labrador-stroming
Koude zeestroming die tussen het Canadese schiereiland Labrador en
Groenland door naar het zuiden stroomt. Voor de kust van Newfoundland stuit
deze stroming op de warme Golfstroom. Juist op deze plaats met veel
temperatuurverschillen in het oppervlaktewater worden veel Atlantische
lagedrukgebieden geboren.
Lacunosus
Vol gaten. Wolkenvariëteit van de wolkengeslachten cirrocumulus,
altocumulus en soms stratocumulus. De bewolking is dun en lijkt enigszins op
een honingraatstructuur; met regelmatige ronde openingen, een netwerk van
gaten.
Lage bewolking
Bewolking, die voorkomt op hoogten lager dan 2,5 km, bestaande uit
waterdruppels met soms wat kristallen korrelsneeuw. Onderscheiden worden de
stratus, de stratocumulus en de cumulus.
Lage druk boven Midden-Europa
Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De lage druk boven
Midden-Europa is een half-meridionale circulatie. Er ligt een groot
hogedrukgebied boven de Atlantische Oceaan en boven Scandinavië, maar boven
het Europese vasteland is de luchtdruk laag. In deze situatie wordt er
continentaal polaire lucht of continentaal gematigde lucht naar onze omgeving
gevoerd.
Lagedrukgebied
De luchtkolom ter plaatse oefent minder druk uit op het aardoppervlak dan
die in de omgeving. Een lagedrukgebied wordt meestal geassocieerd met
minder goed weer.
LAM
Limited Area Model (beperkt gebied model). Naast de globale
meteorologische modellen hebben vele weerdiensten modellen ontwikkeld voor een
relatief klein kaartgebied. Het voordeel van een LAM is dat een veel fijner
rooster doorgerekend kan worden. Daarentegen zal een LAM bij berekeningen naar
de toekomst eerder afwijkingen vertonen. In de Nederlandse weerdiensten wordt
vooral de LAM-uitvoer van de Engelse, de Duitse en de Nederlandse
weerinstituten gebruikt.
Landklimaat
Klimaat waarvan de omstandigheden ongeveer tegenovergesteld zijn aan die
van het zeeklimaat. De invloed van de zee is vrijwel nihil. Het landklimaat
wordt gekenmerkt door een vrij grote dagelijkse en jaarlijkse gang van de
temperatuur. De zomers kunnen erg warm zijn, de winters koud. De meeste
neerslag valt in de zomer. Zie ook D-klimaat.
Landstation
Waarnemingsstation, gelegen buiten de invloedssfeer van de zee.
Landwind
Een wind die van over het land naar de zee waait. Dit is in tegenstelling
tot de zeewind of zeebries. De landwind komt tijdens de latere nacht en
voormiddag voor wanneer het land koeler is dan de lucht boven het zeewater. De
koelere landlucht (hogedrukgebied) stroomt naar de warmere zee (lagere
luchtdruk).
Lange-termijnverwachting
Weersverwachting, geldig voor een termijn langer dan 5 dagen vooruit. In
de operationele meteorologie worden dit soort verwachtingen vrijwel niet
gemaakt. De meteoroloog heeft daarbij geen inbreng meer. Hij gaat in
voorkomende gevallen volledig af op statistiek en klimatologie. Sommige
meteorologische modellen, zoals dat van het ECMWF, rekenen tot 10 dagen vooruit. In het algemeen mag
echter aan de resultaten daarvan niet veel waarde worden gehecht. Soms kunnen
wel tendensen aangegeven worden, zoals: het wordt kouder, warmer, stabieler of
juist minder stabiel. Het gebruik van weersatellieten en weerkaarten is niet
van belang.
Langgolvige straling
Straling die door de aarde wordt uitgezonden. Deze straling bevindt zich
in het infrarode gebied en is dus, in tegenstelling tot het kortgolvige
zonlicht, met het oog niet waar te nemen. Bij wolkenloze hemel kan het
aardoppervlak ongehinderd uitstralen, waardoor de temperatuur aan de grond
soms 's nachts erg laag kan zijn.
Langley
Eenheid van energie per oppervlakte-eenheid; komt overeen met 1
gram.calorie/cm²; eenheid wordt dikwijls gebruikt in stralingsmetingen.
Latente warmte
De energie die nodig is om van aggregatietoestand te veranderen. Bij
overgang van vaste naar vloeibare toestand of van vloeibare naar gasvormige
toestand is deze energie nodig. Bij overgang van gasvormig naar vloeibaar of
van vloeibaar naar vaste komt deze warmte terug vrij. Merk op dat daarbij geen
verschil in temperatuur merkbaar is: de warmte is latent of verborgen. Wanneer
waterdamp opstijgt en uiteindelijk condenseert komen grote massa's energie
vrij (wolkenvorming) die aanleiding kunnen geven tot onweer.
La Niña
Indien het water in het oostelijk deel van de Pacific niet warm maar juist
relatief koud is, spreken we van een La Niña (klein-meisje)-situatie. Voor de
kust van Zuid-Amerika gebeuren dan geen schokkende dingen: het is er, zoals
gebruikelijk, droog en de visvangst voor de kust van Peru is uitstekend. Op
wereldschaal heeft een La Niña wel enige invloed. Klimatologen hebben voor La
Niña-situaties voor verschillende gebieden een correlatie (overeenkomst) met
bepaalde weergebeurtenissen vastgesteld. Zo is het in een La Niña-situatie in
de winter nat en koel in het zuidoosten van Afrika. Bij een La Niña in onze
zomer is het koel in heel Zuidoost-Azië, maar juist warm in het noordoosten
van Australië. Zowel bij een El Niño als bij een La Niña zijn de invloeden op het
Nederlandse weer zeer gering.
Leafcloud
Over het algemeen bestaat een leafcloud uit een langgerekte band die
doorgaans meer dan 10 lengte- of breedtegraden bedraagt. In zowel het
infrarood als in het visuele kanaal (van satellietfoto's) is de leafcloud
helder, wat getuigt van koude en dikke wolkentoppen. Aan de koudezijde heeft
de leafcloud een sinusvormige structuur. Deze is scherp begrensd door de
straalstroom. Leafclouds ontwikkelen zich doorgaans langs een
frontensysteem van een trog in de bovenlucht. De leafcloud gaat ook vaak gepaard
met sterke windvelden en staat daarbij ook aan de basi van de ontwikkeling van
fronten.
Lengtegraad
Afstand tussen twee opeenvolgende meridianen met een geheel getal.
Lenswolk
In vaktermen ook wel altocumulus lenticularis genoemd. De lenswolk dant
zijn ontstaan aan de bergruggen waarboven hij hangt. Staat er dwars op de
bergrug een stevige stroming, dan wordt de lucht wanneer ze de berg bereikt
gedwongen omhoog te gaan en weer te dalen aan de achterzijde van de berg. Die
gedwongen stijging plant zich voort tot hoog boven het bergniveau. Luchtlagen
hoger in de atmosfeer raken tijdens dat stijgproces soms plotseling verzadigd
met waterdamp; er vormt zich bewolking. Daalt de lucht verderop, dan raakt de
lucht weer onverzadigd en lost de bewoking op. Een lenswolk blijft daarom
permanent boven dezelfde plaats aanwezig, terwijl de lucht gewoon verder
stroomt. Vorming van lenswolken kan duiden op snelle stromingen in de hogere
luchtlagen of plotselinge toename van windsnelheid boven een bepaald
niveau. Lenswolken zijn prachtig om te zien maar zijn een gevaar voor
ballonvaarders in verband met de plotseling optredende 'snelle' luchtlagen.
Lente
Eén van de 4 seizoenen. De astronomische lente start rond 21 maart. Zie
ook onder seizoenen . De seizoenswisselingen vinden niet altijd op
de 21 ste van de maand plaats. Die verschuiving wordt veroorzaakt, doordat een
volledige omwenteling rond de zon niet precies 365 dagen duurt, maar een
aantal uren langer. Omdat men in de meteorologie steeds graag
standaardperioden met elkaar wil kunnen vergelijken, heeft men er daar voor
gekozen de meteorologische lente te laten lopen van 1 maart tot 1 juni.
Lenticularis
Wolkensoort. Wolkenbanken van de geslachten cirrocumulus, altocumulus en
stratocumulus. De wolken zijn lens- of amandelvormig en hebben soms aan de
randen een irisatie, een parelmoerglans. De lenticularis verschijnt in rollen,
die snel ontstaan en weer verdwijnen om dan op een andere plaats weer terug te
komen. Die rolvorm wordt meestal veroorzaakt door over elkaar schuivende
luchtlagen, waar door op het grensvlak een golvende beweging ontstaat.
Lenticularis-wolken duiden meestal op een komende weersverslechtering.
Cirrocumulus lenticularis is nogal eens in bergachtige gebieden te zien, door
stijgende en dalende bewegingen van vochtige luchtlagen ten gevolge van het
reliëf van het onderliggende gebied.
Leste
Sirocco-achtige oosten- tot zuidoostenwind uit Marokko, die naar de
Canarische Eilanden en Madeira waait. Hij kan ook uit zuidelijke richting
waaien naar Spanje toe, en ook vanuit zuidelijk Algerije in de richting van
Italië.
Levèche
Lokale wind in het Spaanse kustgebied tussen Valencia en Almería. Het is
een sirocco-achtige zuidoostenwind, die continentaal tropische lucht (cTL) uit
Algerije aanvoert. Hij kan ook in het zuiden van Spanje, in de streken
Andalusië en Morena, waaien. Dan is het een zuidwestenwind.
Levante
Een oostelijke tot noordoostelijke wind in de straat van Gibraltar, tussen
Spanje en Marokko. Het is een zwakke tot matige wind met een hoog
vochtgehalte. Maar in de lente en herfst haalt deze wind stormkracht. De wind
ontstaat door een hogedrukgebied boven Europa en een lagedrukgebied bij de
kust van Algerije. Vaak is de hemel bewolkt en mistig en soms regent het.
Deze wind komt het hele jaar door voor, maar meestal van juli tot oktober. Ook
in maart wil deze wind nog wel eens opsteken. Zelden komt deze wind tot
stormkracht. Lokale de Straat van Gibraltar worden versterkt door het
"windtunneleffect".
Libeccio
Dit is een west tot zuidwestenwind die vooral in het noorden van Corsica
voorkomt. Het hele jaar kan deze wind aanwezig zijn. Deze wind veroorzaakt
flinke golven. In de zomer is deze wind vrij vaak aanwezig, maar in de winter
wordt deze afgewisseld door de Tramontana.
Licht bewolkt
Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Bedoeld wordt een
verwachte bedekkingsgraad van de bewolking van nul tot twee achtsten,
overeenkomend met een zonneschijnpercentage van 40 tot 100. De term wordt
zowel voor overdag als 's nachts gebruikt.
Lichte koelte
Benaming op zee van de windkracht 3 op de schaal van Beaufort.
Lichtende nachtwolken
Behalve de niveaus tot ca. 30 km hoogte, waar de normale wolken ontstaan,
is er nog een niveau op ongeveer 80 km hoogte, waar zich soms ook bewolking
vormt. Deze wolken ontstaan echter alleen in het zomerhalfjaar, en dan nog op
geografische breedten tussen de 40 en 80°. Omdat deze bewolking zeer ijl is,
kan men haar slechts waarnemen als de hemel al donker is, maar deze wolken nog
wel door de zon worden belicht. Dit is het geval bij een zonshoogte tussen de
5 en 13° beneden de horizon. De hier bedoelde wolken zijn dan te zien als een
zijde-achtige lichtgevende sluierbewolking.
Lichtverstrooiing
Verstrooiing of diffusie van licht dat op deeltjes in de atmosfeer valt,
in alle richtingen. Het blauwe licht wordt het sterkst verstrooid, het rode
licht het minst. Vandaar dat de lucht overdag blauw is. De rode zonsopkomst of
-ondergang wordt. op dezelfde manier verklaard. Het zonlicht legt bij lage
zonnestanden een langere weg door de atmosfeer af. Bij voldoende zwevende
deeltjes in dat deel van de atmosfeer zijn alle andere kleuren al verstrooid
en zal alleen het rode licht van de zon de waarnemer bereiken. Overigens is
de rode zonsopkomst een gevolg van veel vochtdeeltjes in de atmosfeer, het
avondrood daarentegen hangt meer samen met een grote hoeveelheid droog stof.
Lichte vorst
Er is sprake van lichte vorst indien de minimumtemperatuur niet lager komt
dan -5°C.
Lichtzuil
Halo die samenhangt met de onderzon. Bij onrustige lucht is
de onderzon soms erg langgerekt. Is deze onrust voldoende groot, dan kan het
uiteinde van de onderzon zich tot boven de horizon uitstrekken en wordt dan
lichtzuil genoemd. De lichtzuil is bijzonder opvallend en kan optreden bij
zonsopgang of zonsondergang. Het verschijnsel reikt dikwijls tot 20° boven de
zon en loopt spitsvormig toe. Indien avondrood aanwezig is, is de lichtzuil
eveneens rood. Anders is de lichtzuil wit, met afwisselend helle en minder
heldere delen. Een enkele maal verschijnt de lichtzuil tegelijk met de
parhelische ring en vormt dan een zeer opvallend kruis.
Lidar
Dit is een instrument dat men gebruikt voor de waarneming van wolken. De
lidar zendt stralen uit naar boven en wanneer die worden teruggekaatst, zijn
er wolken aanweizg. De tijd tussen verzenden en terugkomst bepaalt de hoogte
van de wolken. Een lidar lijkt dus op een regenradar.
Lijgolf
Kleinschalige golfbeweging aan de lijzijde van een bergrug bij een
luchtstroming, die daar dwars op staat. Achter de bergrug komen dan lijgolven
voor, vergelijkbaar met watergolven op een meer, met een golflengte van enkele
honderden meters. In de toppen van de golven kan de karakteristieke
lenticularisbewolking ontstaan.
Lijvore
Vore, die ontstaat aan de lijzijde van een bergrug. Wanneer lucht wordt
gedwongen over een bergrug heen te stromen hoopt zich tegen de loefzijde de
lucht enigszins op, zodat daar een klein relatief hogedrukgebied ontstaat.
Direct achter de bergrug is de luchtdruk relatief laag, zodat daar een vore
ontstaat. De lijvore houdt stand zolang de stroming dwars op de bergrug
aanhoudt en verandert niet van plaats. Een lijvore is een voorbeeld van een
staande golf en is vaak te zien bij een westelijke stroming die haaks op de
Noorse bergen of op de Schotse hooglanden staat.
Lijwervel
Verticale wervelingen aan de lijzijde van een bergrug bij een
luchtstroming die daar dwars op staat. Achter de bergrug komen dan lijgolven
voor, vergelijkbaar met watergolven op een meer, met een golflengte van enkele
honderden meters. In de toppen van de golven kan de karakteristieke
lenticularisbewolking ontstaan.
Lijzijde
Zijde 'onder' de wind ('uit' de wind), luwtezijde.
Lithometeoor
Meteorologische meteoren, bestaande uit een verzameling van deeltjes,
waarvan de meeste vast zijn en geen water bevatten. Deze meteoren schijnen in
de lucht te zweven of van de grond te zijn opgewaaid. Voorbeelden zijn stof en
rook.
Lithosfeer
Buitenste harde laag van de aardkorst.
Loefzijde
Zijde 'boven' de wind ('in' de wind), windzijde.
Lokale (onweers-)bui
Buiig weertype, waarbij slechts op enkele plaatsen een (onweers-) bui
valt.
Lokale wind
Het woord lokaal komt van het Latijnse woord locus, hetgeen plaats
betekent. Lokale winden waaien in een beperkt gebied, zijn plaatsgebonden en
komen voor bij bepaalde meteorologische omstandigheden. Ze hebben bijzondere
eigenschappen, die op verschillende manieren worden verkregen. Hieronder een
vrij ruwe classificatie: 1. Lokale winden, die het gevolg
zijn van het reliëf van het aardoppervlak. Tot deze categorie behoren de
dalende warme luchtstromingen met als voorbeeld de föhn, de dalende koude
luchtstromingen, zoals de bora, en door het reliëf versnelde luchtstromingen,
de mistral. 2. Lokale winden komen ook voor aan de randen
van een brongebied en ontlenen dan aan de daar aanwezige luchtsoort hun
eigenschappen. Voorbeelden daarvan zijn de blizzard (cAL), etesische winden
(cpL) en de sirocco (cTL). 3. Verder kan op een aantal
plaatsen de passage van een koufront een lokale wind doen opsteken,
bijvoorbeeld de pampero in ZuidAmerika en de southerly burster in
Australië. 4. Ook de wervelstormen mogen als lokale winden
worden beschouwd. De gebieden waarin deze voorkomen, zijn immers eveneens
tamelijk begrensd. Typische voorbeelden zijn de tropische cycloon, de tornado
en de windhoos. 5. Lokale winden die een dagelijkse gang
en bovendien een tegenhanger hebben. Karakteristieke voorbeelden zijn hier de
landwind tegenover de zeewind, de bergwind tegenover de dalwind en de boswind
tegenover de veldwind. 6. Ten slotte de winden, die de
algemene grootschalige luchtcirculaties als ontstaansoorzaak hebben, zoals de
passaat en de moesson.
Low level-jet
(ook: nachtelijk windmaximum) Windmaximum dat zich tijdens de nacht op
geringe hoogte kan ontwikkelen. In de loop van de nacht kan het, met name
tijdens een stralingsnacht, aan het aardoppervlak flink afkoelen, zodat er op
enige hoogte een sterke inversie ontstaat. Aan de onderkant van die inversie
kan zich dan, door de grote temperatuurtegenstellingen onder en boven de
inversie, een flinke thermische wind ontwikkelen, die low level-jet wordt
genoemd. Deze benaming is eigenlijk onjuist, omdat het windmaximum niet de
gedaante van een straalstroom heeft.
Lucht
Een mengsel van verschillende gassen. De belangrijkste daar van zijn
stikstof N2 (78,09%), zuurstof O2 (20,95%), argon
Ar(0,93%) en koolstofdioxide CO2 (0,033%). Eveneens een zeer
belangrijk gas in de meteorologie is waterdamp H2O(variabel %).
Luchtcirculatie
(ook: windsysteem) Kringloop van de luchtmassas in het onderste gedeelte
van de atmosfeer, de troposfeer, rond de gehele aarde, gemiddeld berekend over
een lang tijdvak. Door de relatief grote verwarming ontstaat in het gebied
rond de evenaar een continu thermisch lagedrukgebied. De lucht zal daar een
grootschalige stijgende beweging vertonen. In de hoge troposfeer stroomt die
lucht vervolgens naar het noorden en zuiden uit, in de richting van de beide
polen. Als er verder niets zou gebeuren, zou die lucht bij de polen weer naar
beneden komen en weer langs het aardoppervlak naar de evenaar stromen. Op het
noordelijk halfrond, en dus ook in onze omgeving, zou er in dat geval altijd
een noordelijke wind heersen. De lucht stroomt weliswaar vanaf de evenaar
naar het noorden en zuiden uit, maar onder de invloed van de Corioliskracht
als gevolg van de draaiing van de aarde krijgt de luchtstroom een afbuiging.
Op het noordelijk halfrond naar rechts gericht, op het zuidelijk halfrond naar
links. De lucht die op grote hoogte vanaf de evenaar naar hogere breedten
stroomt, krijgt een steeds grotere afwijking, totdat de wind op ca. 30°NB en
ZB (de subtropen) geheel naar het oosten waait. Daar daalt de lucht weer en
stroomt in de vorm van de passaatwinden langs het aardoppervlak weer terug
naar de evenaar. Er ontstaat dus een min of meer gesloten circulatiecel, een
zgn. Hadley-cel (genoemd naar een Engelse natuurkundige). De
lucht vanaf de evenaar bereikt de polen dus niet. In de buurt van de polen
spelen zich ook dergelijke processen af. Door de beide gesloten cellen zou de
uitwisseling van warmte onmogelijk zijn. De tropen zouden steeds verder
opwarmen en de polen steeds meer afkoelen. In werkelijkheid vindt er wel
uitwisseling plaats. In het overgangsgebied, de gematigde breedten tussen de
subtropen en ca. 60° breedte, overheersen, ook weer als gevolg van de
afbuiging door de Coriolis-kracht, de westenwinden. Onder meer ten gevolge
van de ligging van de grote bergketens en de temperatuurverdeling in de
oceanen meandert deze stroming in vier of vijf golven rond de aardbol,
waardoor warmte-uitwisseling kan plaatsvinden. Het wisselvallige klimaat in
onze omgeving is daar een gevolg van: nu eens kou vanuit het noorden, dan weer
warmte uit meer zuidelijke streken. De weersystemen, de hoge- en
lagedrukgebieden, die in feite de wervels zijn waardoor de atmosfeer op
gematigde breedten wordt omgeroerd, verplaatsen zich in die golven.
(ook: luchtdrukverval) Verval van de luchtdruk loodrecht op de isobaren.
Langs een isobaar is het drukverval per definitie nul, terwijl loodrecht op de
isobaren het grootste drukverval wordt gemeten. Dit verval is de
luchtdrukgradiënt, die meestal wordt uitgedrukt in hectoPascal per
lengteëenheid. Hoe groter de luchtdrukgradiënt is, des te groter is ook de
gradiëntkracht die op een luchtdeeltje werkt en des te groter is dus ook de
snelheid waarmee het luchtdeeltje zich beweegt.
Luchtdruktendens
(ook: luchtdrukverandering) Karakter van de verandering van de luchtdruk.
Een sterke daling van de luchtdruk kan een aanwijzing zijn dat er een
lagedrukgebied of een ander slechtweergebied in aantocht is. Omgekeerd levert
een sterke stijging van de luchtdruk doorgaans een weersverbetering op.
Luchtdrukverdeling
(ook: drukverdeling) Verdeling van de luchtdruk in een bepaald gebied. Op
de weerkaart wordt deze verdeling door de meteoroloog afgelezen uit de
getekende isobaren.
Luchtmassa
Een grote hoeveelheid lucht met min of meer dezelfde eigenschappen wat
betreft temperatuur
en vochtigheid.
Luchtsoort
Een hoeveelheid lucht met horizontale afmetingen van ten minste enige
honderden kilometers en met een verticale afmeting van ten minste één
kilometer, met in elk horizontaal vlak ongeveer dezelfde eigenschappen voor
wat betreft de waarden van de temperatuur en de vochtigheid. Luchtsoorten
ontstaan in zgn. brongebieden, gebieden waar het aardoppervlak min of meer
homogeen is en waar de lucht ten minste een aantal dagen kan verblijven. De
homogeniteit heeft niet alleen betrekking op een uniforme
oppervlaktegesteldheid, zoals zee, woestijngebied, begroeiing, sneeuw en ijs,
maar ook op de oppervlaktetemperatuur, die ongeveer overal dezelfde waarde
dient te hebben. Wanneer lucht enige tijd boven een brongebied kan
vertoeven, zullen temperatuur en vochtigheid van de lucht, onder invloed van
straling, geleiding, turbulentie en convectie, in evenwicht raken met de
temperatuur en de vochtigheid van het onderliggende aardoppervlak. Daarom kan
gezegd worden dat de eigenschappen van een luchtsoort worden bepaald door het
gebied waar de luchtsoort ontstaat, de geografische breedte en de gesteldheid
van het onderliggende aardoppervlak.
Luchtsoortclassificatie
In de techniek van het maken van weersverwachtingen wordt veelvuldig
gebruik gemaakt van kennis van de herkomst van een bepaalde hoeveelheid
lucht. Een luchtsoort bezit eigenschappen die tamelijk conservatief zijn.
Zo zal lucht die van de Atlantische Oceaan afkomstig is, een beduidend hoger
vochtgehalte hebben dan lucht vanuit de Sahara. En een luchtsoort uit de
poolstreken is vanzelfsprekend kouder dan lucht van de gematigde breedten.
Maar ook andere elementen laten werkelijk significante verschillen zien.
Bijvoorbeeld de bewolkingssoort, het zicht en meestal ook de hoeveelheid wind.
De scheiding tussen luchtsoorten wordt een front genoemd. De belangrijkste
luchtsoorten zijn: Arctische lucht (AU, polaire lucht (PU, tropische lucht (TU
en gematigde lucht (GU. Al deze luchtsoorten hebben een maritieme (m) en een
continentale(c) variant.
Luchtstreek
(ook: temperatuurzone) Gebied op aarde afgegrensd op basis van een
bepaalde gemiddelde temperatuur. Men onderscheidt de koude luchtstreek, de
gematigde luchtstreek en de warme luchtstreek. De afgrenzing is meestal
gebaseerd op de klimaatindeling volgens Köppen.
Luchttemperatuur
Algemene benaming voor de droge-boltemperatuur. Het is de temperatuur van
de lucht op een bepaalde plaats op een bepaald moment.
Luchtvaartverwachting
Weersverwachting ten behoeve van de luchtvaart. De verwachtingen kunnen
het vliegveld zelf betreffen, in welk geval ze vooral interessant zijn voor de
binnenkomende vliegtuigen. Maar ook worden verwachtingen gemaakt voor het
luchtruim dat het vertrekkende en binnenkomende vliegverkeer moet doorkruisen.
Luchtvaartwaarnemer
Waarnemer die zijn meteorologische waarnemingen op een vliegveld verricht.