Weerbegrippen op alfabet:

Weerbegrippen verklaard

Kies een beginletter:
 A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Nachtvorst
Situatie, waarbij overdag de huttemperatuur boven het vriespunt blijft terwijl deze 's nachts onder nul komt. Bij lichte nachtvorst, waarbij in de hut op 1,50 m hoogte ook 's nachts de temperatuur boven nul blijft, wordt in de weerberichten tegenwoordig de term vorst aan de grond gebruikt. Als ook in de hut de temperatuur onder nul komt wordt de vorstterminologie gebruikt.

Nachteffect
Een meteorologisch effect dat ptreedt in de nanacht. Bij een bepaalde luchtopbouw kan er op grotere hoogte door uitstraling boven een wolkenlaag in de nanacht onstabilitiet ontstaan. Dit veroorzaakt op zijn beurt buitjes en /of castelanusbewolking.

Nachtzicht
De grootste afstand, rondom de waarnemer, waarop een zwart voorwerp van voldoende grootte tegen een heldere horizon te zien en te herkennen is, als verlichting bij dat voorwerp wordt opgevoerd tot daglichtsterkte. Een voorwerp wordt beschouwd als voldoende groot als het past in een vlak van 0,5 tot 5 booggraden.

Najaarseffect
Een vaak terugkerende meteorologische situatie ten gevolge van het verschil in temperatuur tussen de warmere zee en het koudere land. Dit zal vooral in de kustprovincies in de nazomer en herfst bij bepaalde weerpatronen optreden.

NAO index
Het verschil in luchtdruk tussen IJsland en de Azoren.

Nat-adiabatisch
Een adiabatisch proces, waarbij de verdampings- of condensatiewarmte wel een rol speelt.

National Hurrican Centre
Instituut in Miami, in de staat Florida in de Verenigde Staten van Amerika. Het houdt zich bezig met onderzoek van tropische cyclonen en het maken van verwachtingen voor cyclonen. De laatste decennia is grote vooruitgang geboekt in de kwaliteit van de verwachtingen. Natuurlijk door ontwikkeling van steeds betere computermodellen. Maar ook door het werk van de Hurricane Hunters.

Natte bol temperatuur
Thermometer met nat reservoir; het kwikreservoir van de thermometer is met een zijden kousje omgeven, dat nat wordt gehouden. De langsstromende lucht doet het water verdampen. Dit geschiedt ten koste van de warmte van het kwikreservoir, dat derhalve een lagere temperatuur zal aanwijzen dan de 'droge bol'. Uit het verschil kan men de luchtvochtigheid bepalen.
Bij relatieve vochtigheid van minder dan 100% zal deze temperatuur altijd lager zijn dan de gewone luchttemperatuur door verdamping. Zie ook psychrometer.

Natte lucht
(ook: vochtige lucht) Mengsel van droge lucht en bij de heersende temperatuur en luchtdruk maximale hoeveelheid waterdamp; zgn. verzadigde lucht, waarin zich bovendien nog watedruppeltjes en/of ijsdeeltjes bevinden.

Natte sneeuw
Mengsel van regen en sneeuw. Eigenlijk is de term 'smeltende sneeuw' beter op z'n plaats omdat het eigenlijk sneeuwt maar een deel van de sneeuwvlokken, op de weg van wolk naar aarde, smelt.

Nautische schemering
Zie ook schermering.
Zodra de zon een stand van 6 graden beneden de horizon heeft berijkt gaat de burgelijke scshemering over in de nautische schemering. De nautische schemering duurt voort totdat de zon een stand berijkt heeft van 12 graden beneden de horizon.

Nazomer
Periode in eind september of begin oktober, waarin het weerbeeld nog zomers aandoet.

N.B.
Noorderbreedte; coördinaat voor plaatsbepaling in de Zuid-noord richting op het noordelijk halfrond.

Nebulosis
Nevelig, sluierachtig, nevelslierten.
Sluiers bestaande uit wolken, vooral van het geslacht stratus. De stratus nebulosus kenmerkt zich door een heel lage basis (= onder­kant van de wolk), die hoger gelegen delen in het landschap of torens aan het oog onttrekt.

Neerslag
Alle mogelijke vormen van waterdeeltjes, zowel vloeibaar als vast, die uit de atmosfeer neervallen of –slaan en het aardoppervlak bereiken.

Neerslagelement
Regendruppel, sneeuwvlok of hagelsteen.

Neerslagintensiteit
Hoeveelheid neerslag per tijdseenheid. Gewoonlijk wordt deze uitgedrukt in millimeters per uur. In de weerrapporten wordt door de waarnemer ook een beschrijving van de intensiteit van de verschillende weersverschijnselen gegeven door middel van een weercode. Zie ook intensiteit.

Neutrale occulsie
Occlusie waarbij de lucht aan de voorkant van het warmtefront even koud is als de lucht achter het koufront. Op een weerkaart wordt een neutrale occlusie doorgaans aangegeven met een onderbroken rode lijn met daarachter een eveneens onderbroken blauwe lijn of door een zwarte lijn met in de bewegingsrichting afwisselend, niet opgevulde, driehoekjes en halve cirkeltjes.

Nevel
Vermindering van het zicht door miniscule waterdruppeltjes in de atmosfeer. Men spreekt van nevel wanneer het zicht tussen de 1 en 2km bedraagt. Bij minder dan 1 km zicht spreekt men van mist.

Nevelregenboog
(ook: bij regenboog, secundaire regenboog) Regenboog die vaak te zien is naast een hoofdregenboog. Hij wordt veroorzaakt doordat de invallende lichtstralen, na eenmaal bij het intreden in de regendruppel te zijn gebroken, in de druppel tweemaal een reflectie ondergaan en hierna bij het uittreden weer worden gebroken. De bijregenboog is dan zichtbaar buiten de hoofdregenboog, op een afstand van ca. 9° daarvan. De intensiteit van deze boog is beduidend kleiner dan die van de hoofd regenboog, terwijl de kleurvolgorde tegengesteld is.

Nimbostratus (Ns)
Behoort tot de familie van de middelbare bewolking.
Laagvormige regenwolk. Een grijze hemel met continue regen is meestal wat een nimbostratuswolk ons te bieden heeft. Dit type is veelal kenmerkend voor een warmtefront.

Nimbus
Regenwolk.

Non-standard hours
(ook: tussenuren) Meteorologische waarnemingen worden overal op de wereld op hetzelfde tijdstip en op dezelfde manier verricht. De tijd wordt overal aangegeven in uren GMT. De non-standard hours zijn de uren tussen de main hours en de intermediate hours, dus 0100, 0200, 0400, 0500, 0700, enz. De waarnemingen die op de non-standard hours worden verricht, hebben het kleinste verspreidingsgebied.

Noord-Atlantische Oscillatie (NAO)
Een sterk westelijke stroming in de hogere luchtlagen als gevolg van een groot drukverschil tussen IJsland en de Azoren.
Zie ook NAO index.

Noordcirculatie
Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De noordcirculatie is een meridionale circulatie. De lagedrukgebieden koersen vanuit Scandinavië en het oceaangebied tussen IJsland en Noorwegen naar het zuiden. Daarbij worden grote hoeveelheden koude lucht uit de poolstreken over grote afstanden rechtstreeks naar lagere breedten getransporteerd.

Noordelijke wind
Wind die ongeveer uit het noorden waait, tussen noordnoordwest en noordnoordoost.

Noordelijk halfrond
Deel van de aarde dat ligt tussen de evenaar en de noordpool (90° NB).

Noorderbreedte
(NB) Breedteligging van een plaats op het noordelijk halfrond. Een plaats kan op maximaal 90° NB liggen.

Noorderlicht
Lichtverschijnsel in de poolstreken, opgewekt door van de zon afkomstige snelle electrisch geladen deeltjes (electronen), die de aardse dampkring binnendringen. Zie ook poollicht.

Noord Atlantische Oscillatie
De Noord Atlantische Oscillatie (NAO) is een maat voor het verschil in luchtdruk tussen de oceaan ter hoogte van de Azoren en de streek rondom IJsland. Bij een positieve NAO is de druk bij IJsland lager en bij de Azoren hoger dan gemiddeld. Grote delen van Europa, Azië en Noord-Amerika zijn dan door sterke westenwinden zacht. Maar in het noordoosten van Canada heersen dan koude noordenwinden.

Noordföhn
Föhn, waarbij de lucht van noord naar zuid over de Alpen stroomt. De noordföhn levert aan de lijzijde van het gebergte doorgaans wat minder hoge temperaturen op dan de zuidföhn, vanwege de noordelijker oorsprong van de lucht. De noordföhn ontstaat bij een hogedrukgebied boven Frankrijk, of in ieder geval ten westen van het Alpenmassief, en een lagedrukgebied aan de oostkant.

Noordoostcirculatie
Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De noordoostcirculatie is een meridionale circulatie. Over Scandinavië en de Britse eilanden strekt zich een gordel van hoge luchtdruk uit. Een noordoostelijke luchtstroom voert continentaal polaire lucht naar Nederland.

Noordpool
Naast de geografische noordpool kennen we de magnetische polen. Dit zijn de plaatsen waar de magnetische krachten loodrecht op het aardoppervlak zijn gericht. De magnetische noordpool (die natuurkundig gezien een zuidpool is) heeft als coördinaten 75° NB en 101° WL. De kompasnaald wijst naar het magnetische noorden. Doordat het magnetische en het geografische noorden niet samenvallen, wijst de naald niet precies naar het geografische noorden. Die afwijking heet declinatie. De magnetische polen liggen niet vast, maar bewegen langzaam in de buurt van de geografische polen, waardoor de bovenstaande coördinaten niet vastliggen en ook de declinatie veranderlijk is.

Noordwestcirculatie
Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De noordwestcirculatie is een half-meridionale circulatie. Het zwaartepunt van het subtropisch maximum is in noordelijke richting opgeschoven tot ongeveer 50° NB. Overwegend noordwestenwinden voeren maritiem polaire lucht aan.

Noorse school
Meteorologische theorie, ontwikkeld door twee meteorologen: de Noor Bjerkness en de Zweed Bergeron. De theorie beschrijft de weersontwikkelingen aan de hand van verschillen in luchtsoorten. Verschillende luchtsoorten, afkomstig uit verschillende brongebieden, hebben verschillende fysische eigenschappen. De scheidingslijn tussen luchtsoorten wordt een front genoemd. Juist vanwege de verschillen in fysische eigenschappen komen met name in de directe omgeving van zon front de meest hevige en ook goed voorspelbare weersomstandigheden voor. Van deze kennis wordt met name in de synoptische meteorologie veelvuldig gebruik gemaakt.

Nor'easter
Een sneeuwstorm die ontstaat doordat vochtige warme lucht uit de Golf van Mexico en de Atlantische oceaan in botsing komt met arctische lucht uit Canada.
Meestal gaat deze met veel sneeuw en harde wind gepaard.

Nor'wester
Lokale wind aan de oostelijke kusten van het zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland, South Island. De wind waait uit het noordwesten. Het is een warme valwind met duidelijke föhneigenschappen.

Norte
1. Lokale wind aan de westkust van Mexico. De wind waait uit het noordoosten en heeft föhneigenschappen. Het kan echter zowel een warme als een koude valwind zijn. In deze streek wordt de wind ook wel norther genoemd. Verder zuidwaarts, aan de Middenamerikaanse kusten van Nicaragua en Costa Rica, wordt deze lokale wind papagayos genoemd.
2. De Norte waait ook aan de andere kant van Mexico, aan de Golf van Mexico, m.n. in de winter. Maar hier hangt de wind samen met de passage van een koufront, dat continentaal polaire lucht (cPU aanvoert. Deze wind veroorzaakt in korte tijd grote temperatuurdalingen en gaat wel gepaard met zware regenval of sneeuwstormen. Ook deze lokale wind wordt wel norther genoemd.

Norther
Lokale wind. De naam wordt op meerdere plaatsen gebruikt, echter voor verschillende soorten wind.
1. In het zuiden van Australië is het een sirocco-achtige noordenwind, waaiende uit de zandwoestijn in het binnenland.
2. In het Amerikaanse Californië is het een warme valwind.
3. Aan de westkust van Mexico is het een andere naam voor de norte, een valwind, die zowel warm als koud kan zijn.
4. In het oosten van Noord-Amerika, ten slotte, is het een sterke en koude noordenwind, die continentaal polaire lucht (cPL) aanvoert en in korte tijd zowel grote temperatuurdalingen als zware regenval of sneeuwstormen teweeg kan brengen.

NOSIG
Meteorologische code in een TREND, die aangeeft dat er in het heersende weerbeeld geen significante veranderingen worden verwacht.

N.S.S.L.
National Severe Storm Laboratory in Norman Oklahoma (VS).

Nulgradenniveau
(ook: vorstgrens) Hoogte in de atmosfeer of in een bergachtig gebied waarop op een bepaald moment de temperatuur precies 0°C is. Boven dit niveau vriest het dus.

Nulmeridiaan
(ook: Greenwich-meridiaan of meridiaan van Greenwich) meridiaan die loopt over de plaats Greenwich bij Londen. Het is echter niet deze meridiaan die de aarde verdeelt in een oostelijk en een westelijk halfrond. De grens tussen deze halfronden ligt op 20° WL (en dus ook op 160° OL). Men heeft voor deze grens gekozen om zo Ierland en Groot-Brittannië bij Europa op het oostelijk halfrond aan te laten sluiten.

Nuttige neerslag
Gedeelte van de neerslag dat werkelijk ten goede kan komen aan gewassen. Belangrijke factoren die de nuttige neerslag beïnvloeden, zijn de verdamping: bij hoge temperaturen neemt de nuttige neerslag door verdamping af; de spreiding van de neerslag: als de spreiding rond de gemiddelde neerslag niet groot is, is het nuttig effect van de neerslag verhoudingsgewijs groter dan in een situatie waarin sprake is van zeer droge en zeer natte periodes; de neerslagwijze: als de neerslag in een grote stortbui valt, is het nuttig effect ervan beperkter dan wanneer hij gelijkmatig valt.

Weerbegrippen verklaard

Kies een beginletter:
 A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z