Weerbegrippen op alfabet:

Weerbegrippen verklaard

Kies een beginletter:
 A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Saros reeks
Reeks van opeenvolgende zonsverduisteringen met dezelfde kenmerken. Tussen verduisteringen in een saros-reeks zitten 18 jaren, 11 dagen en 8 uur.

Saffir-Simpson, schaal van
Schaal, aan de hand waarvan de kracht van een tropische cycloon kan worden vastgesteld. De schaal wordt gebruikt door het National Hurricane Centre.
Saffir-Simpson schaal
Categorie Luchtdruk in de kern [hPa] Doorstaande windsnelheid [km/h] Schade
1 980 118 - 152 minimaal
2 965 - 980 153 - 176 licht
3 945 - 964 177 - 208 groot
4 920 - 944 209 - 248 zeer groot
5 < 920 > 248 catastrofaal

Sahel
Lokale wind in Marokko en het zuidwesten van Algerije. Het is een sirocco-achtige zuidoostenwind, die vanuit de Sahara-woestijn continentaal tropische lucht (cTL) aanvoert.

Samoen
Het is een siroccoachtige zuidoostenwind, die vanuit Saoedi-Arabië, Irak en Syrië naar Turkije waait. De wind heeft nog meer namen, zoals simoom en samyel, naar het Arabische 'samm', hetgeen 'de lucht bedervend' betekent, en het Turkse 'yel', dat 'wind' betekent. De samoen waait ook in de Sahara, bij de passage van een koufront. In alle gevallen wordt continentaal tropische lucht (cTL) aangevoerd.

Santa ana
Lokale wind in de buurt van Los Angeles, in het zuiden van Californië. Het is een warme valwind met föhneigenschappen, die waait uit noord tot noordoost. Omdat deze wind vanuit de Mojave-woestijn waait, heeft hij ook duidelijke kenmerken van de sirocco.

Savanneklimaat
Zie A-klimaat.

Schaapscheerderskou
Periode omstreeks 5 t/m 20 juni.
Zomerweer in juni houdt zelden de hele maand stand. Meestal draait de wind na de eerste zomerse of zelfs tropische dagen van zuid naar noordwest of noord. Daarmee stroomt aanzienlijk koudere lucht uit het Noordzeegebied Europa binnen. Boven de nog relatief koude Noordzee ligt dan vaak een grijs wolkendek of een mistgebied dat met de noorwestelijke stroming onze kant op komt. De felle juni-zon maakt dan plaats voor een grijs wolkendek en zeker in de wind is het ronduit koud. Zo'n weersomslag van warm en zonnig naar koel en somber is in juni niet ongewoon.
Schaapscheerders maakten vroeger van deze grijze koele periode gebruik om de schapen te scheren, vandaar de benaming Schaapscheerderskou. Meestal houdt dat koele en sombere weer wel enkele dagen aan, zodat de kale huid van de schapen niet blootgesteld wordt aan de felle zon.

Schaduwhelling
Kant van een berg of heuvel die niet gericht is naar de zon. Op het noordelijk halfrond is dit de noordkant van de berg, op het zuidelijk halfrond de zuidkant. Op de schaduwhelling schijnt de zon minder uren per dag, waardoor de temperatuur er lager is dan op de zonnehelling. Bepaalde gewassen zullen daarom niet op de schaduwhelling, maar wel op de zonnehelling verbouwd kunnen worden. Het bekendste voorbeeld is de wijnbouw, die vaak alleen aan de zonkant van de berg.

Scheepsweerbericht
Weerbericht ten behoeve van de beroepsmatige en de recreatieve scheepvaart betreffende de gehele Noordzee, opgesteld door de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI. De Noordzee is, volgens internationale afspraak, ingedeeld in een aantal districten. Het scheepsweerbericht bevat per district een overzicht van de relevante weersontwikkelingen, met name de windrichting en -snelheid, het weer en het zicht. Het bericht wordt opgesteld in het Engels en het Nederlands en uitgezonden via de kustwacht IJmuiden.

Schemering
Tijdsverloop tussen het ondergaan van de zon en het donker. We kennen drie soorten schemering tw: burgelijke (of civiele) schemering; de nautische schemering en de astronomische schemering. Deze drie soorten schemering zijn gerelateerd aan de stand van de zon ten opzichte van de horizon.
De schermering duurt niet altijd even lang. De oorzaak hiervan is deels de scheve stand van de draaiingsas van de aarde en deels doordat de aardbaan geen volmakte cirkel is, maar een ellips. De zon beweegt dus niet met een constante snelheid langs de hemel. De duur van de schemering hangt dus af van de tijd van het jaar en de geografische breedte van de plaats waar men zich bevindt.
Hoe dichter bij de evenaar, des te korter de schemering duurt, vanwege de grotere draaisnelheid van de aarde aldaar. De vage grens tussen het nog heldere en het reeds donkere deel van de hemel wordt de schemeringsboog genoemd.

Schemeringskleuren
Verschijnsel dat optreedt ten gevolge van verstrooiing en reflectie van zonlicht. Bij lage zonnestand kan de hemel verschillende kleurschakeringen vertonen, meestal rood, maar ook wel geel, lichtgroen of zelfs donkergroen en purper. Bij helder weer kunnen de kleuren elkaar in vaste regelmaat opvolgen. Onder voor deze verschijnselen gunstige omstandigheden, zoals na grote vulkanische uitbarstingen, worden de schemeringskleuren zeer intens.

Schijnfront
Soms is er op een weerkaart een aantal kenmerken te vinden, die duiden op de aanwezigheid van een front, zonder dat het er werkelijk is. Wanneer bijvoorbeeld lucht van zee uit het land op stroomt, wordt er vaak, onder invloed van de grotere wrijving boven het land, iets landinwaarts een voor een front karakteristieke windsprong waargenomen. Wanneer in de zomer deze boven het land aangekomen zeelucht bovendien sterk wordt verwarmd, zou afgaande op de temperatuurverschillen en de windsprong tot een koufront in het kustgebied besloten kunnen worden. Dit front is een stationair schijnfront, dat op de weerkaart weggelaten dient te worden.

Schildwolk
In Engels: Cloud shield (CS)
Een brede pluk wolken, vaak tot een lengte-breedte verhouding van maximaal 4:1.

Schraal weer
Beschrijvende term voor een weertype. Er is weinig of geen bewolking, de temperatuur is lager dan normaal (moet minstens onder de 10°C liggen), de relatieve vochtigheid is laag en er staat een krachtige oosten- of noordoostenwind (boven land ten minste windkracht 4). Deze term wordt vooral in het winterhalfjaar gebruikt.

Schuimvlokwolk
Zie 'kuifwolk'.

Schijnbare wind
Een zeilboot gaat vooruit door de wind. Zonder wind geen snelheid. Nu heeft echter het vooruitgaan van de boot ook weer een direct effect opp diezelfde wind. Je creëert namelijk vanaf het moment dat je vooruitgaat een beetje tegenwind. Hoe harder de zeilboot gaat, des te sterker deze tegenwind is. Dit effect is nog groter bij fietsen: hardrijders hebben bijna altijd wind tegen! Gewoon wat minder hard fietsen is dan het devies.
Bij een zeilboot heeft de windverandering echter nog een effect. De richting waarin een zeilboot vaart is belangrijk voor een juiste zeilvoering. Komt de wind bijvoorbeeld in het begin (vóór je snelheid had) van loodrecht opzij (je vaart dan halve wind), met toenemende snelheid krijg je die wind vanzelf tegen. De wind die zo ervaren wordt is de schijnbare wind. Hij komt dus hier iets meer van voren dan de 'echte' wind.

Seguin
Lokale wind in Frankrijk. Het is een zeewind aan de MiddellandseZeekusten van de Basse-Provence en de zuidelijke Alpen. Het is de tegenhanger van de montagnère.

Seistan
Lokale wind in Iran. Het is een sterke sirocco-achtige, noordwestenwind in het oosten van Iran, Zuid-Afghanistan en het noordwestelijke deel van Baloedjistan, die continentaal polaire lucht (cPL) aanvoert. Deze wind waait in de maanden mei t/m september en bezit nogal wat andere benamingen, zoals honderdtwintigdagenwind en bar-i-sad-o-bistroz.

Seizoen
Een periode van ongeveer 3 maanden. Als seizoenen kennen we de lente, zomer, herfst en winter. Astronomisch gezien begint de lente wanneer de dagen langer worden en dag en nacht exact even lang duren. Dit is omstreeks 21 maart. De zomer start wanneer de dag het langst duurt: op het noordelijk halfrond omstreeks 22 juni. De astronomisch herfst doet zijn intrede bij het korte van de dagen wanneer opnieuw dag en nacht exact even lang zijn (omstreeks 23 september). Als laatste seizoen begint de winter wanneer de dag het kortst is (rond 22 december). De meteorologische seizoenen zijn enigszins iets anders: er wordt steeds gerekend met volle maanden en de eerste maand van het seizoen is de maand waarin het astronomische seizoen start, bijvoorbeeld de eerste maand van de weerkundige lente is maart (astronomische lente start op 21 maart).
De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor staat de zon op het Noordelijk Halfrond in de winter lager boven de horizon dan in de zomer. De zon beschrijft 's winters een kortere baan boven de horizon dan 's zomers en is vooral daardoor maar weinig uren zichtbaar.

Septentrionalis
Latijnse naam voor de noordelijke windrichting.

Shamal
Lokale wind in de Perzische Golf. Het is een sirocco-achtige noordwestelijke wind, afkomstig uit Irak, die continentaal polaire lucht (cPL) aanvoert.

Shelf Cloud
Een lage, horizontale wig-vormige wolk, vaak geassocieerd met een onweer gust front (of met een koud front, zelfs in afwezigheid van een nabij onweer). In tegensteling tot de rolwolk is de shelf cloud verbonden aan de basis van de bovenliggende wolk (vaak een "onweerswolk"). Vaak zijn snel opstijgende wolk-bewegingen te zien aan de voorste zijde van de shelf cloud, terwijl de onderkant vaak een turbulente kokende massa is.
Shelfcloud

Shelfcloud

Wat je ziet zijn geen twee witte strepen, maar 1 donkere tegen een lichtere achtergrond. Speling der natuur. Shelfclouds hebben vaak van dit soort banding.

SIGMET
(Significant Meteorological Message) Waarschuwing ten behoeve van het commerciële luchtverkeer, die wordt uitgegeven als de weersontwikkeling in het luchtruim, dat door de verkeersleiding op Schiphol wordt bewaakt, dat noodzakelijk maakt. Een voorbeeld van zo'n situatie is een plotseling actief wordende onweersstoring. Voor meteorologische verschijnselen die uitsluitend voor het lichte luchtverkeer gevaar op kunnen leveren, worden geen SIGMET's uitgegeven. Hiervoor wordt indien nodig een zgn. special met warning for light aircraft uitgegeven, die per telefoon aan de betreffende kleine vliegvelden wordt doorgegeven.

Significant weather chart
(SWC) weerkaart die een piloot tijdens een briefing kan ontvangen. Deze kaart bevat informatie betreffende relevante weersomstandigheden tijdens de vlucht. Ondermeer staat aangegeven waar turbulentie te verwachten is.

Sirocco
Sirocco is het Arabische woord voor oostelijk, mar toch is het een warme zuiden- of zuidoostenwind aan de voorzijde van depressies die zich van west naar oost over de Middellandse Zee verplaatsen. Aangezien deze wind zijn oorsprong vindt boven de Sahara bestaat hij uit zeer droge en warme lucht wanneer hij de noordkust van Afrika bereikt, des te meer omdat hij naar de kust toe een dalende beweging heeft ondergaan. Bij het overtrekken van het Middellandse Zeebekken wordt een aanzienlijke hoeveelheid waterdamp onder deze droge lucht gemengd, zodat de Sirocco nu als een warme en vochtige wind Malta, Sicilië en Italië aandoet. Nochtans wordt in sommige gebieden rond de Middellandse Zee het begrip "Sirocco" gebruikt om elke warme zuidenwind aan te duiden.
De lucht die de Sirocco aanvoert, is verontreinigd met zand en stof dat in de landen ronde de Middellandse Zee met regen naar beneden komt. In Griekenland wordt de 'rode regen' brengende wind de Gharbi genoemd.

SKC
(Sky Clear) Een codewoord in een weersverwachting ten behoeve van de luchtvaart. Het betekent dat er geen bewolking wordt verwacht.

Slant Visual Range
(SVR) zicht door een mistlaag aan de grond vanuit de cockpit van een vliegtuig. Dit zicht is niet horizontaal, maar onder een bepaalde hoek en kan daardoor belangrijk afwijken van het zicht aan de grond.

Slepend front
Front dat precies in de richting van de wind ligt en daardoor schijnbaar niet of nauwelijks van plaats verandert.

Slingerpsychrometer
Psychrometer waarbij de beide thermometers in een frame met een handvat zijn bevestigd. De luchtstroom langs de thermometerreservoirs wordt verkregen door het instrument als een ratel rond te slingeren.

Slootmist
Mist, ontstaan doordat koude lucht, door uitstraling boven landerijen gevormd, in lager gelegen sloten vloeit en zich mengt met de daar aanwezige reeds me watedamp verzadigde lucht (zie ook 'zeerook').

Smelten
Natuurkundig proces. De overgang van de vaste naar de vloeibare fase. Het smelten van ijs is voor de meteorologie van groot belang. Het smelten is een endotherm proces.

Smog
Een samentrekking van de Engelse termen "smoke" (rook) en "fog" (mist). Het is een mist die vervuild is met allerhande gassen zoals o.m. de uitlaat van schoorstenen van huizen en fabrieken.

Sneeuw
Neerslag van samengeklitte ijskristallen bij temperaturen rond of onder het vriespunt, in de vorm van zeskantige ijssterren. De ijskristallen voegen zich samen en vormen sneeuwvlokken. Vooral bij temperaturen rond het vriespunt kunnen we grote, goed ontwikkelde sneeuwvlokken te zien krijgen.

Sneeuwdag
Een sneeuwdag is een dag waarop minstens één sneeuwvlok is waargenomen. Korrelsneeuw en motsneeuw vallen hier ook onder.

Sneeuwdekdag
Een dag heeft een sneeuwdek als om 07.00 uur en / of om 19.00 uur tenminste de helft van de grond met een laagje van tenminste 1 cm sneeuw is bedekt.

Sneeuwgrens
Grens in een bergachtig gebied, waarboven op een bepaald moment de sneeuw blijft liggen. Onder invloed van de meteorologische omstandigheden kan de sneeuwgrens dus in hoogte variëren.

Snow eater
In Canada kan een warme wind de sneeuw ineens doen smelten. Deze Chinook uit de bergen heet ook wel 'snow eater'.

Solano
Lokale wind in het zuiden van Spanje. Het is een sirocco-achtige zuidoostenwind, die waait vanuit Algerije.

Somber weer
Donker en regenachtig weertype met veel laaghangende bewolking. Deze term wordt in de weersverwachtingen zoveel mogelijk vermeden, vanwege de eventuele uitwerking op de gemoedsgesteldheid van mensen.

Sonde
Peilapparaat.

Sonische anemometer
Anemometer waarbij gebruik wordt gemaakt van hoogfrequente (ultrasonische) geluidspulsen. Het tijdsverloop tussen het zenden en ontvangen van een geluidspuls over een bepaalde afstand wordt gemeten. Wordt zon geluidspuls uitgezonden met de wind mee, dan zal de tijdsduur korter zijn dan tegen de wind in. Op die manier is dat tijdsverloop dus een maat voor de windsnelheid.

Solar Radiometer
De solar radiometer staat ook wel bekend als een lichtwindmolen en is een natuurkundig en technisch wonder, dat op een eenvoudige manier laat zien hoe de 'kleinste zonne-energie centrale ter wereld', licht omzet in energie.
De werking is als volgt: in de glazen bol staat een glazen buisje met vier 'wieken' eraan op een naald opgesteld. De wrijving tussen het glas en de dunne naaldpunt is vrijwel nihil, waardoor de wieken makkelijk kunnen ronddraaien. Eén kant van de wieken is zwart, de andere zijde is zilverkleurig. Wanneer nu warm licht, bijvoorbeeld zonlicht of licht van een gloeilamp (geen 'koud' TL-licht), op de wieken van de lichtwindmolen valt, zal de constructie beginnen te draaien. Dit komt doordat een zwart oppervlak licht absorbeert, terwijl een zilveren oppervlak licht weerkaatst. Hierdoor worden de zwarte vlakjes warmer dan de zilveren, net als de luchtmoleculen die zich in de buurt van deze vlakjes bevinden. De warmere luchtmoleculen bewegen sneller en zullen vaker en harder tegen de zwarte vlakjes botsen, waardoor de druk op de zwarte zijdes groter wordt en de constructie begint te draaien.
Binnenin de glazen bol is de luchtdruk wat verlaagd, teneinde een evenwicht te verkrijgen tussen de luchtweerstand en de draaikracht van de zonne-energie. Afhankelijk van de hoeveelheid licht zullen de 'wieken' met een variabele snelheid gaan draaien en kan er een rotatiebeweging tot wel 3000 omw/min worden bereikt.

South-easter
Lokale wind in Zuid-Afrika. Het is een zuidoostelijke valwind, die vanaf de Tafelberg naar de Tafelbaai bij Kaapstad waait. De southeaster heeft wel fähneigenschappen, maar kan niet echt als koude of als warme valwind aangemerkt worden.

Southerly burster
Lokale wind in het oosten van Nieuw-Zuid-Wales in Australië. Het is een hevige koude zuidenwind, die grote gelijkenis vertoont met de pampero in Argentinië. De southerly burster komt het meest voor in de lente en de zomer.

SPECI
Extra weerrapport ten behoeve van de luchtvaart.

Specifieke vochtigheid
Van een bepaalde hoeveelheid lucht is dit de verhouding tussen de massa aanwezige waterdamp en de totale massa van die hoeveelheid.

Spectrum
Straling is een proces waarbij energie zich door elektromagnetische trillingen voortplant. Die trillingen hebben een breed scala van golflengten. Het totaal van deze golflengten wordt het spectrum genoemd. De verdeling over de verschillende kleuren is als volgt:
Naam Golflengte
Ultraviolette straling < 0,38 µ
Violet 0,38 - 0,45 µ
Blauw 0,45 - 0,50 µ
Blauw-groen 0,50 - 0,52 µ
Groen 0,52 - 0,55 µ
Geel-groen 0,55 - 0,57 µ
Geel 0,57 - 0,60 µ
Oranje 0,60 - 0,63 µ
Rood 0,63 - 0,78 µ
Infrarode straling > 20,78 µ
1µ = 1 microm = 10-6meter.
De maximale energie van de zonnestraling ligt rond de 0,50µ dus ongeveer midden in het zichtbare licht. Die van de aarde is ongeveer 10µ, dus in het infrarode gebied.

Spectrograaf
Meetinstrument waarmee de chemische samenstelling van een gas bepaald kan worden aan de hand van het spectrum, d.w.z. de verschillende lichtgolflengten die door het gas worden uitgezonden of onderschept.

SPEWI
Alleen nationaal verspreid codebericht met gegevens over de wind in de onderste laag van de atmosfeer tot en met een hoogte van 3.000 m.

Spissatus
(Lett.: dicht, in elkaar vervlochten) Wolkensoort. Dikke plukken wolken van het geslacht cirrus, die voldoende dicht zijn om de zon te versluieren. Het zijn vaak restanten van buien, die met de bovenwind meedrijven. Aan de bovenkant is de cirrus spissatus enigszins opbollend, als cumulus. Aan de onderzijde zijn vaak valstrepen van ijskristallen, virga, te zien. Dit verschijnsel duidt op bestendig weer. Tegen een ondergaande zon geeft de cirrus spissatus aan de westelijke hemel vaak spectaculaire en kleurige taferelen. Het lijkt dan alsof het zwerk in brand staat.

Springvloed
Bijzonder hoge vloed door samenwerking van de aantrekkingskracht van zon en maan (daags na nieuwe en volle maan).

Staartwind
De wind die een vliegtuig van recht achter heeft. Vanwege de voor de draagkracht benodigde winddruk onder de vleugels, moet een vliegtuig de wind liefst van voren krijgen. In sommige omstandigheden is dit echter niet mogelijk. Een teveel aan staartwind levert problemen op bij het opstijgen en landen.

Stabiele golf
Frontale golf die zich niet verder ontwikkelt tot een nieuw lagedrukgebied. De bijbehorende weersomstandigheden zijn doorgaans niet erg actief.

Stabiele lucht
Lucht met weinig of geen tendens om op te stijgen of te dalen. Het komt meest voor bij mooi en droog weer.
De 'toestandskromme' is zodanig dat, als een luchtdeeltje verplaats wordt (naar boven of naar beneden), het op zijn oorspronkelijke plaats terugkeert.

Stabiliteit
Verticaal evenwicht (in de atmosfeer).

Stadsklimaat
Het weer in de (grootte) stad verschilt aanzienlijk van het weer in het omringende gebeid met minder bebouwing (platteland).
Asfalt, steen en cement warmen snel op maar koelen langzaam af. Vooral 's avonds en 's nachts, maar in de winters ook overdag, ligt de temperatuur aanzienlijk hoger; in een wereldstad kan dit oplopen tot zo'n 5 graden. Dit wordt ook veroorzaakt door opwarming a.g.v. verwarming van huizen, uitlaatgassen ed. Deze extra warmte kan ook leiden tot fikse onweersbuien in de zomer.
Uiteraard waait het in de stad minder en ligt de luchtvochtigheid lager.

Stadsmist
Mist die meer uitgesproken is in de omgeving van steden en industriegebieden doordat zich daar meer luchtvervuiling is en er dus meer condensatiekernen zijn waarop de waterdamp zich kan neerzetten.

Standaarddrukvlak
Eén van de drukvlakken waarvan de gegevens voortdurend op weerkaarten worden geplot en door de meteoroloog worden geanalyseerd. Deze zijn het 300 hPa-, het 500 hPa-, het 700 hPa- en het 850 hPavlak.

Standvastig weer
Rustig weer, dat maar weinig verandert.

Stapelwolk
Is een wolk met een uitgesproken vertikale ontwikkeling (convectieve bewolking). Ze behoren tot het geslacht cumulus.

Starre schuifmethode
Eenvoudige voorspel methode. Op grond van recente verplaatsingen en windrichting en -snelheid worden weersystemen, fronten en slechtweergebieden op weerkaarten in de stromingsrichting vooruit verplaatst. Op die manier wordt een eerste indicatie verkregen omtrent het toekomstige weerbeeld.

Stationair front
De scheidingslijn of overgangszone tussen twee luchtmassa's met verschillende eigenschappen waarbij geen van de twee luchtmassa's zich opdringt. De scheiding blijft ter plaatse.

Stationsnummer
Identificatienummer van waarnemingsstations. In het onderstaande overzicht is een aantal Nederlandse stations opgenomen, voorzien van (vooral in de luchtvaart gebruikte) kenletters en geografische plaatsbepaling (NB = noorderbreedte en OL = oosterlengte). De eerste twee letters daarvan geven aan dat het Nederlandse stations zijn: E = Europe, H = Holland. Voor het stationsnummer wordt nog het bloknummer geschreven. De Bilt heeft nummer 06260, Schiphol 06240.
Nummer Kenletters Naam NB OL Opgericht
210 EHVB Valkenburg 52° 11' 04° 25' 1947
225   IJmuiden 52° 28' 04° 35'  
235 EHKD De Kooy (Den Helder) 52° 55' 04° 47' 1972
240 EHAM Schiphol (Amsterdam) 52° 18' 04° 46' 1937
250   Terschelling 53° 22' 05° 13'  
260 EHDB De Bilt 52° 06' 05° 11' 1904
265 EHSB Soesterberg 52° 08' 05° 16' 1951
268   Lelystad-Houtrib 52° 32' 05° 26'  
270 EHLW Leeuwarden 53° 13' 05° 45' 1950
275 EHDL Deelen 52° 04' 05° 53' 1949
280 EHCG Eelde (Groningen Airport) 53° 08' 06° 35' 1945
285   Meetplaal Huibertgat 53° 34' 06° 24'  
290 EHTW Twente 52° 16' 06° 54' 1946
310 EHFS Vlissingen 51° 27' 03° 36' 1855
330   Hoek vvan Holland 51° 59' 04° 06'  
344 EHRD Rotterdam 51° 57' 04° 27' 1956
350 EHGR Gilze-Rijen 51° 34' 04° 56' 1948
370 EHEH Eindhoven 51° 27' 05° 25' 1947
375 EHVK Volkel 51° 39' 05° 42' 1951
380 EHBK Beek (Maastricht Airport) 50° 55' 05° 47' 1946

Stationsthermometer
Gestandaardiseerde droge-bolthermometer, die op ieder waarnemingsstation wordt gebruikt om de temperatuur van de lucht te meten. De thermometer is gemaakt van Jena-normaalglas en heeft een schaalverdeling van -30° tot +40°C, onderverdeeld in 1/5 delen van een graad. De vulvloeistof is kwik. De thermometer is voorzien van een ijkcertificaat, waarop de geldigheidsduur en de eventueel toe te passen correcties zijn vermeld.

Statistische verwachtingsmethode
Methode om met behulp van statistische relaties een meest waarschijnlijk weerbeeld te bepalen. De toepassing van dit soort statistiek gaat terug tot aan het begin van de 20ste eeuw. Maar vooral door de sterke ontwikkeling van de computer, vormen deze methoden tegenwoordig een belangrijk hulpmiddel voor de meteorologen. Het meest in gebruik bij het KNMI zijn de zgn. analogenmethode en de gidsverwachting.

Steenbokskeerkring
(ook: zuiderkeerkring) Parallel op 23,5° ZB. Het is het meest zuidelijke punt waar de zonnestralen nog loodrecht kunnen invallen. Dit gebeurt op of rond 22 december. De schijnbare beweging van de zon naar het zuiden gaat hier dan over in een schijnbaar noordwaartse richting.

Steppeklimaat
Zie B-klimaat.

Steppewind
Lokale wind in Duitsland. Het is een koude noordoostenwind, die soms helemaal vanuit de Russische steppen waait.

St. Elmusvuur
In de atmosfeer kunnen zich grote ladingsveschillen opbouwen voordat het tot een ontlading komt. Het kan dan gebeuren dat voorwerpen bij de grond zo sterk geladen worden, dat er (positief) geladen vonken uit weglekken. Dit kan bij uitstekende voorwerpen gebeuren zoals, antennes en scheepsmasten. Het verschijnsel heeft een groenige of blauwachtige kleur. Dit is St. Elmusvuur. Wanneer er ook nog een een ontlading in de buurt is, kan de bliksem ieder moment inslaan.

St. Gummaruszomertje
Zomerse periode rond 11 oktober.

St. Maartenszomer
Zomerse periode rond 11 november.

St. Margriet
Volgens de volksweerkunde wordt het, wanneer het op de naamdag van de heilige Sint Margriet, 20 juli, regent, gedurende zes weken niet meer droog.

St. Michielszomer
Zomerse periode rond 29 september. Deze naam wordt voornamelijk in Vlaanderen gebruikt.
In Nederland komt de naam 'Oudenwijvenzomer' vaker voor. De term "oudenwijven" wordt geassocieerd met oude breiende vrouwen en aan veldspinnen die bij rustig nazomerweer lange draaden spinnen.

Stijgingsregens
Zie orografische regens.

Stijve bries
De benaming op zee van de windkracht 6 op de schaal van Beaufort.

Stikstof
Is het belangrijkste gas (qua hoeveelheid) waaruit onze atmosfeer bestaat. Ongeveer 78% van de aardatmosfeer bestaat uit stikstof.

Stil
Benaming op land van de windkracht 0 (nul) op de schaal van Beaufort.

Stilte
Benaming op zee van de windkracht 0 (nul) op de schaal van Beaufort.

Stofhoos
Op warme zonnige zomerdagen met weinig wind kunnen boven sterk verhitte oppervlakken wervelwindjes ontstaan. Ze komen vooral voor boven zandgrond, maar soms ook boven stenen van een plein of boven hooi. Meestal is er dan een draaiende zuil van stof of and te zien en daarom worden deze wervelwindjes stof- of zandhozen genoemd.

Storing
In het algemeen een klein, zich al dan niet verder ontwikkelendlagedrukgebied of een uitloper van een groter lagedrukgebied (randstoring). Een storing kan met een frontaal systeem te maken hebben. In dat geval is er sprake van een frontale storing. Maar een storing kan ook ontstaan uit een thermisch lagedrukgebied. Een voorbeeld daarvan is de onweersstoring, die in de zomer na een periode van erg warm weer vanuit Frankrijk en België Nederland binnentrekt.

Storm
Zuiver weerkundig gesproken: een gemiddelde windsnelheid van minimaal 75 km/uur. Dit komt overeen met cijfer 9 op de schaal van Beaufort.
Het KNMI classificeert stormen op basis van het hoogste uurgemiddelde van de windsnelheid op een weerstation boven land. Vrijwel altijd is dat een plaats aan de kust.

Stormachtig
1. Benaming, zowel op land als op zee, van de windkracht 8 op de schaal van Beaufort.
2. Beschrijvende term voor een weertype. Er is erg veel wind, ten minste windkracht 8, en bovendien vaak buien.

Stormdepressie
Actief lagedrukgebied, dat gepaard gaat met windsnelheden van ten minste stormkracht (windkracht 9).

Stormvloed
Verhoging van het gemiddeld vloedniveau als gevolg van storm.

Stormvloedwaarschuwingsdienst
(SVSD; vroeger: Stormvloedseinendienst) In 1929 ingestelde dienst van de Rijkswaterstaat (RWS), met als doel bij stormvloed informatie en advies te geven aan dijkbeheerders en andere belanghebbenden in het Nederlandse getijgebied.
Aanleiding tot het instellen van de SVSD was de watersnood van 13 januari 1916. De weerkundige gegevens worden tegenwoordig betrokken van de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI te Hoek van Holland. Zodra de dienstdoende meteoroloog op grond van meteorologische ontwikkelingen verwacht dat een bepaald waterpeil overschreden zal worden (het zgn. informatiepeil), neemt hij contact op met de betreffende Ingenieur van Dienst van de RWS. Deze beslist dan of al dan niet het waarschuwingscentrum van de SVSD zal worden geopend en bezet.

Stormwaarschuwing
(ook: stormsein) Ten behoeve van de scheepvaart, zowel de beroepsmatige als de recreatieve, worden bij het overschrijden van bepaalde limieten wind- en stormwaarschuwingen uitgegeven. Via het ANP en de kustwacht IJmuiden worden waarschuwingen verspreid bij windkracht 6 of meer in de Nederlandse kustwateren en op het IJsselmeer. De kustwateren zijn opgedeeld in een vijftal districten. Van zuid naar noord zijn dat de districten Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Texel en Rottum. Voor de rest van de Noordzee wordt gewaarschuwd bij windkracht 7 of hoger, alleen via de kustwacht IJmuiden. Ten behoeve van de scheepvaart wordt door de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI te Hoek van Holland tevens vier maal per etmaal een scheepsweerbericht opgesteld, geldig voor de gehele Noordzee, en een marifoonbericht, geldig voor de Nederlandse kustwateren en het IJsselmeer.

Stortbui
Zware bui met een zeer grote neerslagintensiteit. Zo'n stortbui hoeft niet met hagel of onweer gepaard te gaan. Vooral in de tropen komen dit soort buien tijdens de natte moesson nogal eens voor.

Straalstroom
In het Engels: "jet stream". Is een "rivier" van lucht die zich snel voortbeweegt op grotere hoogte (ca 10km) en enkele honderden kilometers breed en enkele kilometers dik is. De straalstroom scheidt de koudere polaire lucht van de warmere lucht uit het zuiden en "stuurt" in het algemeen weersfenomenen als fronten en lagedrukgebieden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende types:
de polaire straalstroom: de meest voorkomende positie over West-Europa is een weinig ten noorden van de ligging van het polaire front op de grond. Over de Atlantische Oceaan komt hij meestal uit het westen (tussen ZW en NW).
de subtropische straalstroom: studies van hoogtewindkaarten tonen het bestaan van een lange stroming krachtige westenwinden tussen de 20e en 30e breedtegraad, zowel noord als zuid.
de equatoriale straalstroom: van midden juni tot begin september strekt zich in de hogere troposeer tussen de evenaar en de 20e breedtegraad een band oostenwinden uit omheen de aarde. Deze winden bereiken slechts in twee streken een jet-wind intensiteit: Één ervan loopt van de Filipijnen tot Soedan, de andere situeert zich boven West-Afrika.
de stratosferische straalstroom (poolnacht-jet): deze komt voor in de winter tussen de breedten 60° en 70°. De jet-buis bevindt zich onmidellijk onder de stratopauze op een hoogte van 40 tot 45 km.
low-level straalstroom (lage jet): onder bepaalde voorwaarden kunnen er boven uitgestrekte vlakten op lage hoogte krachtige windvelden ontstaan. Ze ontwikkelen zich 's avonds en bereiken hun maximum rond zonsopgang om daarna snel te verdwijnen. Ze krijgen de naam van jet-stream omdat hun stroomlijnen zich voordoen in een smalle band gelijkaardig aan deze van de jet-stream op grotere hoogten.

Straalstroom-cirrus
Straalstroom is niet alleen een horizontale luchtstroom, maar de lucht draait ook nog rond de as van die straalstroom. Gezien met de richting van de wind mee volgt de lucht rond die as een beweging als een kurkentrekker die in een kurk wordt gedraaid (rechtsom dus). Dat betekent dat aan de linkerkant, de koude kant van het front, de lucht een stijgende beweging doormaakt en aan de rechterkant een dalende beweging. In die stijgende luchtbeweging aan de koude kant van de straalstroom vormt zich bewolking van het geslacht cirrus. Vandaar dat de plaats van de straalstroom op een satellietfoto vaak heel goed te zien is als een langgerekte band met cirrus: de straalstroom-cirrus.

Straling
Verzamelnaam voor een groot aantal natuurkundige verschijnselen die alle berusten op het uitzenden van energie door een bron, in de vorm van elektromagnetische trillingen met verschillende golflengten. De zon straalt licht en warmte uit met een golflengte in de orde van 0,5μ (μ= 1 micron = 10-6m). Deze kortgolvige straling wordt door de aarde opgevangen en verwarmt het aardoppervlak. Maar de aarde houdt die warmte niet vast. Die wordt als langgolvige straling (ca. 1μ) weer uitgezonden. In de meteorologie wordt met straling doorgaans de zonnestraling of zonne-energie bedoeld.

Stralingsbalans
Overzicht van de hoeveelheid straling die de aarde bereikt en de hoeveelheid straling die de atmosfeer weer verlaat. De zonnestralen die de aarde bereiken, zijn kortgolvig. Deze kortgolvige straling kan de dampkring passeren. Met name het zichtbare licht ondervindt weinig hinder van de atmosfeer. De hoeveelheid straling die een bepaald punt op de aarde bereikt, is afhankelijk van:
1. de breedteligging: op lage breedte (dicht bij de evenaar) vallen de zonnestralen loodrecht in, waardoor er veel straling per oppervlakte-eenheid opgevangen wordt;
2. de lengte van de dag; en
3. de dichtheid van het wolkendek.
Hoe meer wolken, hoe minder kortgolvige stralen het aardoppervlak bereiken. De kortgolvige stralen worden door het aardoppervlak geabsorbeerd, dat daardoor wordt verwarmd. Zoals alle objecten, geeft ook de aarde straling af. Dit is echter straling met een veel langere golflengte dan de zonnestraling. Deze langgolvige straling is veel minder goed in staat door de dampkring heen te gaan. Vooral waterdamp en koolstofdioxide, twee van de zgn. broeikasgassen, en wolken absorberen de langgolvige straling. Afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid van deze stoffen, zal de netto uitstraling variëren.
Als de lucht onbewolkt en droog is, zal de uitstraling vooral s nachts groot zijn, waardoor de temperatuur daalt (mist, nachtvorst, vorst aan de grond). Indien de hoeveelheid straling die het aardoppervlak bereikt, groter is dan de hoeveelheid langgolvige stral ing vanaf de aarde, zal de temperatuur aan het aardoppervlak toenemen. Dit komt, behalve door de zonnestraling, ook af en toe 's nachts voor als relatief warme wolkenvelden het land binnendrijven en dan een voldoende grote tegenstraling leveren. Als gevolg van de toename van een aantal stoffen in de atmosfeer die wel de kortgolvige zonnestralen doorlaten, maar niet de langgolvige warmte van de aarde, stijgt de temperatuur aan het aardoppervlak. Er is hier sprake van een versterking van het broeikaseffect.

Stralingsdauw
Vorm van dauw. Afzetsel van water op voorwerpen waarvan het oppervlak, in het algemeen door nachtelijke uitstraling, voldoende is afgekoeld om rechtstreekse condensatie van waterdamp uit de omringende lucht te veroorzaken.

Stralingsintensiteit
In de meteorologie wordt de hoeveelheid gemeten zonne-energie (kortgolvige straling) per oppervlakte-eenheid de globale straling genoemd. De stralingsintensiteit is de globale straling per tijdseenheid. De hoeveelheid straling wordt gemeten met een pyranometer en uitgedrukt in Joules/cm2. De gemeten stralingsintensiteit zegt iets over de toestand van de atmosfeer. Aan de (witte) bovenkant van bewolking wordt veel van de zonnestraling direct weer de ruimte in teruggekaatst. Bij veel bewolking wordt daarom weinig straling gemeten, bij een wolken loze hemel veel.

Stralingsmeter
Zie pyranometer.

Stralingsmist
Mist, ontstaan door uitstraling van het aardoppervlak. Dit wordt dan kouder. De eropliggende luchtlaag koelt mede af, waarbij het dauwpunt bereikt kan worden.

Stralingsnacht
Nacht met weinig bewolking. Het aardoppervlak kan dan veel energie uitstralen, zonder dat die door bewolking wordt tegengehouden en teruggestraald. Aan de grond kan het bij weinig wind flink afkoelen, met onder meer als mogelijk gevolg de vorming van mist. Temperaturen aan de grond van 5°C of meer beneden de huttemperatuur komen voor. Wanneer de temperatuur op waarnemingshoogte boven het vriespunt is, terwijl deze aan de grond onder nul is, wordt gesproken van vorst aan de grond.

Stralingsrijp
Vorm van rijp. Een ijsafzetsel, doorgaans in de vorm van schubben, naalden, veren of waaiers, dat zich vormt op voorwerpen waarvan het oppervlak, in het algemeen door nachtelijke uitstraling, voldoende is afgekoeld om de rechtstreekse sublimatie van waterdamp uit de omringende lucht te veroorzaken.

Stratiforme bewolking
(stratiform = gelaagd) Egaal aaneengesloten gelaagd wolkendek, zonder structuur, van de geslachten stratus, altostratus en cirrostratus. Als stratiforme bewolking geen ijskristallen bevat, zal er in het algemeen geen of weinig neerslag uit vallen. Bereikt de wolk een dusdanige verticale ontwikkeling en hoogte dat er wel ijskristallen ontstaan, dan kan de neerslag een grotere intensiteit hebben. In stratiforme bewolking zijn de wolkenelementen meestal klein. De onderkoelde druppeltjes zullen slechts tot relatief lage hoogten voorkomen, omdat de stijgsnelheden in de wolk betrekkelijk gering zijn, doorgaans slechts enkele centimeters per seconde.

Stratiformis
Wolkensoort. Een aaneengesloten laag van de wolkengeslachten altocumulus, stratocumulus en soms cirrocumulus, lijkend op een grote en egale wolkendeken. Er zijn nauwelijks opbollingen waar te nemen.

Stratocumulus (Sc)
Behoort tot de familie van de lage wolken.
Grijze of witachtige wolkenbank of wolkenlaag, waarin bijna altijd donkere gedeelten voorkomen; de bank of laag lijkt op een tegelvloer of is samengesteld uit ballen, rollen, enz., die niet vezelachtig zijn (afgezien van virga) en die met elkaar versmolten kunen zijn. De meeste regelmatig gerangschikte, kleine elementen hebben een schijnbare afmeting van meer dan vijf graden.
Dit type wolken behoort tot de 'lage wolken' en bestaat uit waterdruppeltjes.

Stratopauze
De bovenste begrenzing van de stratosfeer op een hoogte van ca. 50 km. Het vormt de fictieve scheidingslijn tussen de stratosfeer en de mesosfeer. Ter hoogte van de stratopauze worden temperaturen waargenomen in dezelfde ordegrootte als deze aan het aardoppervlak of zelfs nog iets hoger.

Stratosfeer
De luchtlaag die zich uitstrekt vanaf 12 km tot 40 km hoogte en dus begrenst is door de tropopauze en de stratopauze.. Kenmerkend voor de stratosfeer is de ozonlaag (tussen de 25 en 35 km hoogte) die de schadelijke UV-C-straling van de zon tegenhoudt. Ook een typisch kenmerk voor deze luchtlaag is de temperatuurstoename (van -50°C tot +20°C) bij grotere hoogte.

Stratus (St)
Behoort tot de familie van de lage wolken.
Een over het algemeen grijze wolkenlaag met een tamelijk egale onderzijde waaruit motregen, sneeuw of motsneeuw kan vallen. Als de zon door de wolken heen is te zien, is zijn omtrek duidelijk zichtbaar. In Stratus onstaan geen haloverschijnselen, behalve soms bij zeer lage temperaturen. Stratus kan zich ook in de vorm van flarden voordoen.
Stratus bestaat gewoonlijk uit waterdruppeltjes en bij hevige koude ook uit ijsdeeltjes.

Strenge vorst
Er is sprake van strenge vorst indien de minimumtemperatuur tussen -10°C en -15°C ligt.

Strooilichtmeter
Instrument waarmee het zicht kan worden gemeten. Net als bij de transmissometer wordt, de doorlatendheid van de lucht tussen een lichtbron en een lichtgevoelige cel gemeten. Bij strooilichtmeters wordt echter de uitdoving door meting van zijdelingse lichtverstrooiing bepaald. Vooral op vliegvelden worden zichtmeters gebruikt. Naast het door de waarnemer geschatte zicht op het waarnemingspunt wordt vaak nog per landingsbaan een gemeten zicht vermeld. Deze landingsbaan kan zich immers op flinke afstand van het waarnemingspunt bevinden.

Sturing
De invloed van de stroming op grote hoogte in de atmosfeer op de koers die de hogedrukgebieden en delagedrukgebieden volgen. Een weerkaart waarop deze (verwachte) koers staat aangegeven, heet een sturingskaart.

Stuwingsregen
Regen die ontstaat doordat vochtige lucht gedwongen is te stijgen tegen de loefzijde van een berg. De warme lucht koelt daarbij af, zodat het dauwpunt bereikt wordt. Wolkenvorming en uiteindelijk neerslag zijn het gevolg. De andere kant van de berg, de lijzijde, zal, doordat de lucht weer kan dalen en dus opgewarmd wordt, droger zijn. Men spreekt hier ook wel van het gebied in de regenschaduw.

Sublimeren
Is de directe overgang van gasvormige toestand naar vaste toestand, zonder dat de vloeibare toestand wordt bereikt.

Subpolaire streken
Gebieden tussen de poolstreken en de gematigde luchtstreken.

Subpolair minimum
Lagedrukgebied dat ontstaat doordat lucht uit de subtropen die richting polen beweegt, als het ware in botsing komt met luchtstromen vanuit de polen. De tussen 40 en 60°NB en ZB bij elkaar komende lucht wordt gedwongen naar omhoog te stromen, waardoor aan het aardoppervlak een lage druk ontstaat. Doordat er sprake is van het bij elkaar komen van warme lucht uit de subtropen en koude lucht vanuit de polen ontstaat er een complex druksysteem, waarin frontale depressies voorkomen. Zie voor de schematische weergave het polair maximum.

Subsidentie
Subsidentie is het proces van grootschalig dalende luchtbewegingen in een hogedrukgebied.
De subsidentie heeft in het algemeen een gunstige invloed op het weer. De dalende lucht wordt namelijk geleidelijk opgewarmd (met 1°C per 100 meter), waardoor eventueel in de lucht aanwezige wolkendruppeltjes verdampen, de bewolking dunner wordt of zelfs verdwijnt.
Door de aanwarming kan de lucht op hogere niveaus warmer worden dan de lucht direct daaronder, zodat een invesie ontstaat. Wanneer het hogedrukgebied waarin dit proces plaatsvindt langdurig op zijn plaats blijft, zal de subsidentie doorgaan en zal dus ook de subsidentie-inversie steeds dichter bij het aardoppervlak komen.
Omdat er bij een inversie geen uitwisseling meer is tussen de luchtlagen aan de onder- en bovenkant ervan, zullen vocht en stof in de onderste luchtlagen als het ware gevangen zitten.

Subsidentie-inversie
Inversie die ontstaat ten gevolge van subsidentie. Door de adiabatische aanwarming kan de lucht op hogere niveaus warmer worden dan de lucht direct daaronder, zodat een inversie ontstaat. Wanneer het hogedrukgebied waarin dit proces plaatsvindt langdurig op zijn plaats blijft, zal de subsidentie doorgaan en zal dus ook de subsidentie-inversie steeds dichter bij het aardoppervlak komen. Omdat er bij een inversie geen uitwisseling meer is tussen de luchtlagen aan de onder- en bovenkant ervan, zullen vocht en stof in de onderste luchtlagen als het ware gevangen zitten. Subsidentie-inversies kunnen dan ook aanleiding geven tot ernstigeluchtvervuiling en smog. Dat is vooral het geval in de winter, wanneer lucht dicht bij het aardoppervlak koud is. In sommige gevallen kan de subsidentie-inversie zelfs het aardoppervlak bereiken. De temperaturen stijgen dan plotseling, soms wel met 5 à 10°C, zonder dat daartoe een aanleiding aanwezig lijkt te zijn.

Subtropische lucht
Lucht, afkomstig uit de subtropen, het overgangsgebied tussen de tropen en de gematigde streken. Voor Europa is dat het Middellandsezeegebied. Elders tussen de 25° en N.B. en 25° en 35° Z.B.

Subtropen
Gebied tussen de tropen en de gematigde luchtstreek.

Subtropisch klimaat
Klimaat dat wordt gevonden in gebieden tussen het tropische en het gematigde klimaat. Het kenmerkt zich door warme zomers en zachte winters. Zie ook C-klimaat.

Subtropisch maximum
Hogedrukgebied in de subtropen, dat ontstaat als gevolg van in dit gebied dalende lucht vanuit de tropen. De lucht die in de tropen opstijgt, vloeit in een bovenstroom naar de polen weg, maar zal door de Coriolis-kracht afbuigen. De lucht zal dan op ongeveer 30° NB en ZB (de subtropen) een maximale afwijking gaan vertonen, waardoor een westelijke luchtstroom ontstaat. De constante aanvoer uit de tropen dwingt de lucht boven de subtropen tot dalen, waardoor aan het aardoppervlak een ophoping van lucht (een hoge druk) ontstaat. De belangrijkste gevolgen zijn: droogte en weinig wind.

Suction vortices
Bij tornado's gebruiken we vooral Amerikaanse termen.
In heel grote tornado's, en in Amerika kunnen ze doorsneden van meer dan 1 kilometer bereiken, zie je soms apart draaiende kolken, suction vortices genaamd. Die draaien aan de buitenkant van de tornado in de tornado mee. Daar waar de windsnelheden van de kleinere vortex en de grote tornado meekoppelen, zijn zeer grote windsnelheden te bereiken. In Amerika zijn daarbij windsnelheden van meer dan 450 km per uur afgeleid uit onder andere filmopnamen.

Suestado
Lokale wind in Argentinië. Het is een hevige zuidoostenstorm in de monding van de Rio de la Plata.

Sukhovey
Lokale wind, die vooral in Kazachstan voorkomt. Het is een warme zuidoostelijke valwind met duidelijke föhneigenschappen. Maar aangezien de wind ook nogal wat stof en zand bevat, zijn er ook kenmerken van de sirocco.

Sumatrans
Lokale wind in Indonesië. Het is een zuidwestelijke valwind, die vanaf het eiland Sumatra naar de Straat van Malakka waait. De sumatrans heeft, net als de south-easter in Zuid-Afrika, wel föhneigenschappen, maar kan niet echt als koude of als warme valwind aangemerkt worden.

Sun-glint
Reflectie van de zon op oppervlakken met een grote albedo, zoals rustige wateroppervlakken en sneeuw- en ijsvlakten. De sun-glint is soms zeer goed waar te nemen op de satellietfotos vanuit de polaire weersatellieten, met name in de Middellandse Zee. De weerspiegeling van de zon in de lens levert vlekken op de foto's op, die behoorlijk hinderlijk kunnen zijn om een goed overzicht te krijgen van de bewolking in een groot gebied.

Supercel
In sommige gevallen groeit een multicel uit tot een zware storm en evolueert uiteindelijk tot een supercel. Deze zeer krachtige stormen, die altijd hevig zijn, hebben bijna vertikaal uitgestrekte en zeer intense kernen met sterke stijgstromen. Ze zijn zo goed als altijd vergezeld van zeer frequente daalstromingen of microbursts, van grote hagelstenen (tot 2 cm diameter) en soms ook tornado's.

Symetrisch zadelgebied
Zadelgebied waarin de invloed van de aanliggende lagedrukgebieden en hogedrukgebieden ongeveer even groot is.

Synodische maand
Tijd die verstrijkt tussen twee nieuwe manen.

SYNOP
Codenaam voor een gecodeerd weerrapport op basis van een synoptische waarneming van een landstation. Wanneer het een waarnemingsstation op zee betreft, krijgt het rapport de codenaam SHIP.

Synoptische meteorologie
(ook: klassieke meteorologie) Deel van de meteorologie dat er op is gericht om met behulp van o.m. de synoptische waarnemingen weersverwachtingen te maken.
Het principe van de synoptische meteorologie werd gelanceerd door Lavoisier en Lamarck in 1804. Zij stelden voor om gelijktijdig op een groot aantal waarnemingspunten een waarneming te doen van het weer. Via de zgn. starre schuifmethode, het op de weerkaart verplaatsen van het weer op een bepaalde plaats met de wind mee, konden dergelijke momentopnamen worden gebruikt voor een uitspraak over het toekomstige weer.
In 1857 vond Buys Ballot experimenteel een verband tussen luchtdrukverdeling en wind: de wet van Buys Ballot. Naderhand bleek dat de wet al eerder langs theoretische weg was gevonden door de Amerikaan Ferrel.
In 1918/1919 introduceerden de Noor Bjerkness en de Zweed Bergeron de zgn. frontentheorie van de Noorse school, een werkwijze die nog steeds wordt gebruikt. Nadat Bergeron in 1935 nog had bijgedragen aan de meteorologie met zijn theorie over de neerslagvorming, bereikte de synoptische meteorologie in de veertiger en vijftiger jaren haar bloeiperiode.

Synoptische waarneming
Overal op de wereld worden vergelijkbare waarnemingen op hetzelfde tijdstip en op dezelfde wijze verricht. Het woord synoptisch is een samentrekking van SYNchroon (= tegelijkertijd) en OPtisch. Elk synoptisch weerrapport bevat gegevens over een groot aantal weerelementen: het zicht; de windrichting en -snelheid; de temperatuur; het dauwpunt; de luchtdruk; de neerslaghoeveelheid, -soort en -duur; het heersende weer; en de bewolking (soort, hoogte en hoeveelheid). Kuststations en schepen voegen hier soms nog gegevens aan toe over zeegang en deining. Voor een deel vinden de metingen automatisch plaats. Andere elementen kunnen echter niet automatisch verkregen worden en moeten dus van bemande stations worden betrokken. Het weerrapport waarin al deze gegevens door de waarnemer worden vastgelegd, heet een SYNOP of SHIP.

Weerbegrippen verklaard

Kies een beginletter:
 A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z