Halo's Lichtverschijnselen aan de hemel
Ten gevolge van breking of terugkaatsing van zonlicht door zwevende ijskristallen vormen zich op verschillende plaatsen aan de hemel vaak relatief heldere vlekken, zuilen, cirkels of bogen. Gemiddeld kunnen in ons land om de andere dag dergelijke verschijnselen, die men halo's noemt, waargenomen worden. Desondanks is dit prachtige natuurverschijnsel bij velen helaas onbekend.
Onder de naam halo's vat men een aantal lichtverschijnselen aan de hemel samen waarvan de kleine kring de bekendste is. Naast de ringvorm kunnen ook bogen, zuilen of lichtvlekken voorkomen. Sommige halo's zijn wit, andere zijn aan de kant van de zon roodachtig van kleur terwijl ook zeer kleurrijke halo's voorkomen. De meeste haloverschijnselen liggen gegroepeerd in een vrij ruim gebied rond de zon of de maan, die ook als lichtbron kan fungeren. Er zijn echter ook halo's die juist tegenover de zon zijn gelegen of de hemel geheel

Kleine
kring of kring van 22 graden

Bijzon

Circumzenitale boog.
In ons land is
gemiddeld om de andere dag wel een kleine kring of gedeelte
daarvan waar te nemen. Andere halo's komen minder vaak voor,
sommige zijn zeer zeldzaam.
Halo's komen slechts voor in een beperkt aantal wolkentypen.
Deze .hebben met elkaar gemeen dat ze uitsluitend bestaan uit
ijs. Bij de verklaring van de haloverschijnselen speelt dat een
belangrijke rol. Voor veel halo's heeft men zo'n verklaring al
kunnen vinden, maar nog steeds zijn er verschijnselen waarvoor
een bevredigende verklaring ontbreekt.
![]() |
| De
kleine kring Verreweg het meest voorkomende haloverschijnsel is de kleine kring. In ongeveer 9 van de 10 gevallen, waarin halo's worden waargenomen is hij geheel of gedeeltelijk aanwezig. Het is een lichtring om de zon, waarvan de binnenkant scherp begrensd is op een afstand van ongeveer 22° van de zon (Fig. 2). Om deze reden wordt hij ook wel kring van 22° genoemd. De
buitenrand is onbepaald: de lichtsterkte neemt naar
buiten toe geleidelijk af. Gewoonlijk is hij wit van
kleur met een rode of roodachtige binnenrand, soms
violet aan de buitenzijde terwijl een enkele maal ook
andere kleuren voorkomen. |
![]() |
IJskristallen
IJs in de atmosfeer kristalliseert in de vorm van regelmatige
zeshoekige kristallen of samenstellingen daarvan. De
eenvoudigste en meest voorkomende vormen zijn de zuiltjes en de plaatjes(zie Fig. 3). Bij beide valt de zeshoekige
vorm op; het enige verschil zit in de verhouding tussen de
lengte van de as en de diameter van het kristal.
Figuur 3: Een plaatje (links) en een zuiltje (midden) in de stand waarin zij in de atmosfeer het meest voorkomen. Beide liggen in een horizontaal vlak. Rechts: zuiltjes in een willekeurige stand. |
|
Door hun regelmatige vormen kunnen de ijskristallen beschouwd worden als prisma's voor het eropvallende zonlicht. In Fig. 4 is aangegeven hoe men zich deze prisma's kan voorstellen. Er treden brekende hoeken van 60°, 90° en 120° op. De zijvlakken van de prisma's kunnen het opvallende licht terugkaatsen. Daarnaast zal er ook licht invallen, dat het kristal weer via een ander zijvlak verlaat. Hierbij verandert de lichtbundel van richting, omdat aan beide grensvlakken tussen ijs en lucht breking optreedt. De hoek tussen de invallende en uittredende lichtbundel noemt men de deviatie (Fig. 7); ze hangt af van de invalshoek van de lichtbundel en de brekende hoek van het prisma. Bovendien is ze afhankelijk van de kleur van het licht, doordat de brekingsindex van ijs enigszins afhangt van die kleur (zie Fig. 7). Op deze kleurschifting berust de toepassing van prisma's voor het ontwerpen van spectra.
![]() |
Figuur hierboven:
Bijzon 22 graden. Foto: Kees Floor. |
|
|
| Kleine kring of kring van 22 graden. Foto: Kees Floor. | |
|
Uit de
grafiek kunnen we aflezen dat de deviatie een minimale
waarde heeft van ongeveer 22°. Verder zien we dat voor
relatief veel invalshoeken de deviatie in de buurt van
22° ligt. Zo liggen bijvoorbeeld de deviaties voor
lichtstralen die invallen onder hoeken tussen 35° en 55°
tussen 21°50' en de 23°25'. Kiezen we een ander, even
groot gebied op de horizontale as, dan variëren de
deviaties veel sterker. Bij waarden van 15°-35° van de
invalshoek behoren waarden van 22°-34° voor de deviatie.
Dit heeft tot gevolg dat relatief veel van het op de
ijsprisma's invallende licht uittreedt onder een hoek
van ongeveer 22° met de invallende lichtstraal. Dat
betekent voor een waarnemer dat hij in een richting van
22° van de zon af moet kijken om die lichtstralen te
zien. Hij ziet dus overal op een afstand van 22° een
lichte plek aan de hemel, voorzover zich op die plaatsen
vanuit de waarnemer bezien tenminste geschikte wolken
bevinden. In Fig. 6 is schematisch getekend wat men kan waarnemen. In het midden van de figuur moet de zon gedacht worden. De stippen geven aan waar het zonlicht zoal terecht kan komen na breking door ijsprisma's met een brekende hoek van 60° in een willekeurige stand. Bij een computerberekening, die de tekening van Fig. 6 opgeleverd heeft, is behalve op het bovenstaande ook gelet op stralen, die een hoek maken met het vlak van tekening van Fig. 7 en op de intensiteitsverhouding tussen de gebroken en de teruggekaatste stralen. Verder vangt een zijvlak van een ijskristal dat loodrecht op het invallende zonlicht staat meer licht in dan een zijvlak in een andere stand. Ook hiermee is rekening gehouden. Uit de figuur is te begrijpen dat de hemel binnen de kring er vaak donkerder uitziet dan daarbuiten. Binnen de kring kunnen geen gebroken lichtstralen komen omdat voor geen enkele invalshoek de deviatie kleiner is dan 21°50'. De roodachtige binnenrand van de kleine kring hangt samen met het feit dat de brekingsindex van ijs voor rood kleiner is dan voor andere kleuren (zie Fig. 7). De minimumdeviatie is daardoor eveneens kleiner, zodat het rode licht dichter bij de zon terecht komt dan de andere kleuren. Verder van de zon af komen lichtstralen terecht van verschillende kleuren- zodat de kring er daar wit uitziet, behalve soms aan de buitenzijde, die dan violet is. |
De bijzonnen van de kleine kring Voor de vorming van de kleine kring waren ijskristallen verantwoordelijk, die zich in een willekeurige stand bevonden. Vaak nemen de kristallen echter gemiddeld een vaste stand aan, zoals aangegeven in Fig. 3. Ze bevinden zich niet voortdurend in die stand, maar schommelen er in meerdere of mindere mate omheen, afhankelijk van de atmosferische omstandigheden. In een onrustige luchtlaag met een harde, onregelmatige wind, kunnen alle mogelijke oriënteringen voorkomen. Veel haloverschijnselen vereisen een min of meer vaste stand van de ijskristallen. Dit geldt voor alle halo's die niet de vorm van een cirkel hebben met de zon als middelpunt. De bijzonnen van de kleine kring zijn hiervan het meest bekende voorbeeld. Het zijn heldere lichtvlekken, die op dezelfde hoogte als de zon op de kleine kring liggen of iets daarbuiten. Ze hoeven niet noodzakelijkerwijs beide tegelijk zichtbaar te zijn en de aanwezigheid van de kleine kring is niet vereist. Deze bijzonnen behoren tot de kleurrijkste haloverschijnselen. De bijzonnen ontstaan in plaatjes die zich ongeveer in de stand van Fig. 3a bevinden. Als de zonshoogte 0° bedraagt verloopt de stralengang als in Fig. 7. De waarnemer ziet de zon, maar ook de bijzon en dus de wolk waarin debijzon wordt gevormd, op de horizon. Het vlak van tekening van Fig. 7 is nu het horizontale vlak waarin zich waarnemer, zon en de bij de vorming van de bijzon betrokken plaatjes bevinden. De invalshoek hangt af van de stand van een plaatje in het horizontale vlak; de deviatie volgt uit Fig. 5.
| We zien nu
door de vaste stand van de ijs- kristallen de lichte
vlekken alleen op de hoogte van de zon en niet, zoals
bij een willekeurige stand van de ijskristallen, overal
op een afstand van 22° van de zon. De afstand tot de zon
wordt ook nu bepaald door de kleinste waarde van de
deviatie, die uit de grafiek van Fig. 5 is af te lezen.
Hieruit kunnen we ook de maximale lengte van de staart,
gevormd door lichtstralen, die meer dan het minimum
worden afgebogen, aflezen: deze is gelijk aan het
verschil tussen de grootste en de kleinste waarde van de
deviatie, dus ruim 20°. Wanneer de zon boven de horizon
staat bevinden de lichtstralen zich niet langer in het
vlak van tekening van Fig. 7. Het gevolg is dat de
deviatie grotere waarden aanneemt. Hierdoor wordt de
afstand tussen de zon en de bijzonnen groter. Hoe hoger
de zon staat, des te groter wordt ook de kleinste waarde
van de deviatie en daarmee dus ook de afstand tussen zon
en bijzon (zie Tabel 1). Theoretisch is de grootste waarde voor de afstand zon-bijzon 50°. Deze waarde wordt bereikt bij een zonshoogte van ruim 60°. De staart is dan ook helemaal verdwenen. Er zijn echter weinig waarnemingen beschikbaar voor zonshoogten van meer dan 40°, omdat de bijzonnen lichtzwakker worden naarmate de zon hoger staat. De vaste stand van de bij de bijzonnen betrokken ijskristallen veroorzakt ook de grote kleurrijkdom van de bijzonnen. Alle lichtstralen maken dezelfde hoek met het vlak van tekening van Fig. 7. Een naar verhouding groot gedeelte van het invallende licht wordt dan onder de minimale hoek afgebogen zodat veel licht van één kleur van een klein gebied aan de hemel lijkt te komen. Bij de kleine kring is dat een veel geringer gedeelte omdat het zonlicht onder allerlei hoeken met het vlak van tekening van Fig. 7 invalt. |
|
De omhullende
halo
Een ander haloverschijnsel dat een vaste stand van de bij de
vorming betrokken ijskristallen vereist, is de omhullende
halo. Deze ontstaat wanneer zuiltjes zich in de stand van
Fig. 9 bevinden, of een van de standen, die door draaiing op de
aangegeven manier verkregen kan worden.
| Een zuiltje
in het vertikale vlak door de waarnemer en de zon met de
lengterichting loodrecht op dat vlak, veroorzaakt
breking van de lichtstralen als in Fig. 7. Daardoor
verwachten we recht boven en recht onder de zon lichte
vlekken op de plaats van de kleine kring. Voor zuiltjes
in andere standen en/of buiten dat vlak maken de
lichtstralen een hoek met het vlak van tekening van Fig.
7.
Bij de bijzonnen zagen we reeds dat dan de kleinste waarde voor de deviatie toeneemt. De lichtvlekken hebben dan ook een afstand van meer dan 22° tot de zon en de omhullende halo bevindt zich dus buiten de kleine kring. De plaats waar een gebroken lichtstraal wordt waargenomen hangt nu zowel van de zonshoogte als van de stand van het zuiltje af. De resulterende vorm (met de bijbehorende lichtsterkten) is te berekenen en is weergegeven in Fig. 8 voor verschillende zonshoogtes. Steeds
is de horizon aangegeven; de gedeeltes onder de horizon
zijn alleen zichtbaar vanaf 'bergtoppen of vanuit
vliegtuigen. Bij zonshoogtes tot 30° zien we twee
afzonderlijke bogen: de boven- en de benedenraakboog aan de kleine kring. Boven de 30°
vloeien de beide raakbogen in elkaar over en gaan
geleidelijk over in een min of meer ellipsvormige
kromme: de omhullende- of omgeschreven halo. |
|
Bij een zonshoogte van 70° valt deze halo samen met de kleine kring. Voor zonshoogtes tussen de 30° en de 40° is de lichtsterkte op de hoogte van de zon zo gering, dat de omhullende halo daar nauwelijks waarneembaar is. Bij geringe zonshoogtes bevindt zich vaak een lichtsterke van de zon af gerichte witte sluier bij deze halo. Men kan die vergelijken met de staart van de bijzonnen.
|


Een onderraakboog waar- genomen vanuit het Heidenskip nabij Workum op 18 juli 1976.
De
grote kring
Tot nu toe bespraken we alleen halovormen die ontstonden
door breking van zonlicht in ijsprisma's met een
brekende hoek van 60°. In Fig. 4 werd reeds aangegeven
dat we ons in regelmatige zeshoekige kristallen ook
prisma's met brekende hoeken van 90° en 120° kunnen
denken. We kunnen ons afvragen of dergelijke prisma's
aanleiding geven tot vergelijkbare haloverschijnselen.
Voor wat betreft de brekende hoek van 120° kunnen we
kort zijn. Omdat er totale terugkaatsing optreedt kan
door een dergelijk prisma geen licht vallen op de manier
van Fig. 7. De grootste waarde van de brekende hoek,
waarvoor er nog net een gebroken lichtstraal uit het
prisma treedt bedraagt 99,50. Dit houdt in dat prisma's
met een tophoek van 90° wel licht doorlaten. De
minimumdeviatie van rechthoekige prisma's bedraagt
ongeveer 46° (Fig. 10).

Menno Hoekstra
fotografeerde op 21 januari 2002 in Lillehammer een halo
met twee bijzonnen. Op dat moment er uit de vrijwel
wolkenloze hemel kleine vlokjes poolsneeuw naar beneden.
Tevens waren er condensstrepen van vliegtuigen en enkele
licht wolken boven de horizon
zichtbaar.

Een halo. waargenomen tijdens een expeditie naar Birkland in
het Zuidpoolgebied. Naast de kleïne kring met bijzonnen
en boven- en onder- raakboog is ook het kruis zichtbaar.
Het kruis wordt gevormd door gedeelten van de
bijzonnenring en de zuil.
Bij een willekeurige stand van de ijskristallen kan op dezelfde manier als bij de kleine kring de grote kring of kring van 46° ontstaan. Het is een cirkel met de zon als middelpunt en een straal van 46°, die lichtzwakker is dan de kleine kring. Meestal zijn alleen gedeeltes zichtbaar. De binnenrand is rood van kleur, evenals bij de kleine kring, terwijl ook weer andere kleuren kunnen voorkomen.
De kring van 46° komt veel minder vaak voor dan die van 22°. De bijbehorende bijzonnen worden haast nooit waargenomen, omdat voor het ontstaan hiervan zeldzame, samengestelde kristallen nodig zijn. Wel regelmatig waargenomen wordt de bovenraakboog aan de grote kring. De verklaring en de verandering van de vorm van deze boog met de zonshoogte verlopen ongeveer analoog aan die van de raakboog aart de kleine kring.
|
|
|
|||
|
![]() |
Gang van de lichtstralen bij de vorming van (van links af) de kleine kring, de bijzon, de bovenraakboog aan de kleine kring, de zuil en de circumzenitale boog. Bijzonnen en circumzennitale boog komen vaak gelijktijdig voor omdat ze veroorzaakt worden door dezelfde ijskristallen in dezelfde stand. |
De
circumzenitale boog
De bovenraakboog van de kring van 46° onderscheidt
zich meestal weinig van de zeer kleurrijke en lichtsterke circumzenitale boog. Dit is een gedeelte van een horizontale
cirkel om het zenit; theoretisch maximaal een halve cirkel maar
gewoonlijk is er niet meer dan 1/4 cirkel te zien. De bolle kant
is naar de zon gekeerd en rood; de binnenkant is violet.
De boog ontstaat in plaatjes, die alle precies in de stand van
Fig. 3a staan. De zonshoogte bepaalt de invalshoek en met de
brekingswetten is de deviatie te berekenen. Alleen voor een
zonshoogte van 22° raakt de circumzenitale boog aan de
grote kring, omdat bij de dan optredende hoek van inval de
deviatie minimaal is. Bij andere zonnestanden ligt de boog iets
boven de grote kring. Bij zonshoogten van meer dan 32° verdwijnt de boog omdat dan in het ijsprisma totale
terugkaatsing optreedt. In de praktijk is hij alleen bij
lage zonnestanden van de bovenraakboog aan de grote kring te
onderscheiden.

Circumzenitale boog.
Circumhorizontale boog.
De
kleine kring en de bijmanenring of paraselenische ring
boven Tucson, Arizona, gefotografeerd op 14 november
1975 De ring is wit van kleur omdat hij ontstaan is door
terugkaatsing, waarbij geen kleurschifting optreedt. |
Op dezelfde
wijze kan ook aan de onderzijde van de grote kring de
zgn. circumhorizontale boog ontstaan, die op zijn
beurt moeilijk te onderscheiden is van de onderraakboog aan de grote kring. Door de hoge
zonnestand die vereist is zijn deze bogen in ons land
hoogst zeldzaam.
Kringen met ongewone straal
De
bijzonnenring |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Bij de vorming van de bijzonnenring zijn verscheidene stralengangen mogelijk, gekenmerkt door een of meer reflecties tegen kristalwanden. |
Omdat bij
terugkaatsing geen kleurschifting optreedt is deze ring wit van
kleur. Als hij volledig ontwikkeld is, heeft de ring de vorm van
een band, die evenwijdig aan de horizon loopt op de hoogte van
en door de zon. Hij wordt veroorzaakt door terugkaatsing van
zonlicht tegen vertikale zijvlakken van plaatjes of zuiltjes. De
stralengang is weergegeven in Fig. 11. Omdat het spiegelend
oppervlak vertikaal is, maar overigens alle standen kan
aannemen, ziet een waarnemer de horizontale cirkel op dezelfde
hoogte als de zon. In alle richtingen komt het spiegelbeeld van
de zon dus tot stand, althans voor zover zich in die richtingen
vanuit de waaruemer bezien geschikte ijskristallen bevin- den.
Dit behoeft natuurlijk niet altijd het geval te zjjn, zodat de
ring ook gedeeltelijk kan voorkomen
De bijzonnenring dankt zijn naam aan de bijzonnen (o.a. die van
22° en 46°) die op de plaats van deze ring kunnen voorkomen.
Zeer zelden staat recht tegenover de zon de tegen- zon als een witte, wazige lichtvlek op de ring.

Onderzon, zuil en kruis
Stelt U zich voor dat U zich in een vliegtuig bevindt
met onder U wolken die bestaan uit een groot aantal
plaatjes. U kijkt in de richting van de laagstaande zon,
waarvan het licht wordt weerspiegeld door de volkomen
horizontale zeshoekige bovenvlakken van de plaatjes.
Hierdoor zoudt U behalve de zon ook een spiegelbeeld van
de zon waarnemen. Als de plaatjes enigszins om hun
evenwichststand heen en weer schommelen, wordt het
spiegelbeeld groter, vooral in vertikale richting. Een
dergelijke lichtvlek, die zich even ver onder de horizon
bevindt als de zon erboven, noemt men een onderzon. Het verschijnsel kan vanuit vliegtui- gen of vanaf
bergtoppen worden waargenomen.
Naarmate de
plaatjes bij hun schommelende beweging verder uit hun
evenwichtsstand geraken, wordt de vorm van de
weerspiegeling langgerekter. Op den duur ontstaat de zuil, een vertikale lichtstreep of lichtpluim, die
zowel boven als onder de zon kan worden waargenomen. Hij
heeft dezelfde kleur als de zon, wit, maar vaak ook
oranje of rood bij de lage zonnestanden waarbij hij het
meest wordt waargenomen.

De zuil kan behalve door plaatjes ook gevormd worden door
zuiltjes, die zich in een van de standen van Fig. 9
bevinden. In ieder geval moeten op deze manier de zuilen
bij hogere zonnestanden worden verklaard, omdat plaatjes
dan niet meer tot de vorming van een zuil in staat zijn.
Komt de zuil tegelijk voor met een gedeelte van de
bijzonnenring, dan zien we een kruis door de zon.
Aan dit haloverschijnsel werd in het verleden
bijzondere, symbolische betekenis gehecht.
Een versterking van de lichtsterkte van de zuil kan
plaatselijk optreden, bijv. door een toevallig
voorbijtrekkende veel dichtere cirruswolk. Het zonlicht
wordt daar sterker teruggekaatst dan elders het geval
is, zodat het lijkt alsof er twee zonnen aan de hemel
staan. Men spreekt dan van dubbele zon.
Frequentie van haloverschijnselen
De meeste van de beschreven haloverschijn- selen kunnen
regelmatig worden waargenomen. We beschikken over
getallen voor het gemiddeld aantal dagen per jaar waarop
een bepaald haloverschijnsel in ons land kan worden
gezien. Deze staan vermeld in Tabel 2, samengesteld op
grond van waarnemingen verricht tussen 1918 en 1953. In
die tijd was er in ons land een uitgebreid net van
vrijwillige waarnemers gevestigd. Daardoor ontstond een
verzameling waarnemingsgegevens die uniek is in de
wereld.

Lichtzuil
boven de zon op 16 maart 2003 gefotografeerd door Jasper
Schweppe.

Zuil (boven) en samengestelde halo (onder). Foto's: KeesFloor.
Bij de verklaring van haloverschijnselen moet men rekening houden met
de in de tabel vermeIde resultaten. Zo mogen halo's die
regelmatig voorkomen geen zeldzaam gevormde ijskristallen of
unieke atmosferische omstandigheden vereisen en omgekeerd. De
kleine kring, die zeer vaak voorkomt, stelt dan ook geen hoge
eisen: zowel plaatjes als zuiltjes voldoen en omdat deze
kristallen willekeurige standen mogen innemen, behoeft de
atmosfeer ook niet rustig te zijn. Men kan zich afvragen waarom
de kleine kring dan niet in alle ijswolken voorkomt. Dat komt
doordat niet alle ijsbestanddelen een geschikte vorm hebben.
Sneeuwsterretjes en bolvormig samengevoegde kristallen breken
het licht niet als een prisma. Bij te kleine ijskristallen dooft
buiging de haloverschijnselen uit. Bovendien verdampen de hoeken
van de ijsprisma's het eerst, zodat afgeronde vormen ontstaan en
de ijskristallen in deze wolken niet langer als prisma fungeren.
Haloverschijnselen die minder dan 5x per jaar voorkomen werden
niet in de tabel opgenomen. De meeste besproken
haloverschijnselen zijn, met enkele andere, samengevat in Fig.
1. Ze worden, weergegeven door een punt of een kromme, die
aangeeft waar de lichtsterkte van het betrokken haloverschijnsel
het grootst is. De natuur verschaft ons echter een zo grote
rijkdom aan haloverschijnselen dat niet naar volledigheid
gestreefd kon worden. Hiervoor raadplege men de in de literatuur
genoemde boeken van Visser of Tricker.
Halofamilies
Sommige haloverschijnselen vertonen zich vaak gelijktijdig
aan de hemel. Een voorbeeld hiervan is de circumzenitale boog en
de bijzonnen aan de kleine kring. Men spreekt in zo'n geval van verwante halo's of van halofamilies. De verklaring
wordt gevonden in het feit dat ze onder dezelfde omstandigheden
ontstaan; in ons voorbeeld bij aanwezigheid van zwevende
plaatjes in de stand van Fig. 3a. Het verschaft tevens een extra
mogelijkheid om de bovenraakboog van 46° en de circumzenitale
boog te onderscheiden: als er tevens bijzonnen voorkomen mag men
wel aannemen dat men te doen heeft met een circumzenitale boog.
Het waarnemen
van halo's
Om vaak halo's te zien moet men uiteraard vaak naar de lucht
kijken. Kijk echter nooit in de zon; het is onaangenaam, slecht
voor de ogen en men wordt verblind. Het beste kan men de hand
voor de zon houden of op een zodanige plaats gaan staan dat de
zon achter een boom, een schoorsteen of de punt van een dak
verdwijnt. Het zoeken naar haloverschijn- selen heeft alleen zin
als er geschikte bewolking aanwezig is: cirrostratus (melklucht), cirrus (windveren), aambeelden van
cumulonimbuswolken (buien- en onweerswolken) en cirrocumulus (kleinste schaapjeswolken).
Deze wolken bevinden zich alle op grote hoogte (gewoonlijk meer
dan 5km) en bestaan uit ijskristallen, die voor de
vorming van halo's noodzakelijk zijn. Het kunnen herkennen van
deze bewolking maakt gericht waarnemen mogelijk. Gebruik zo
nodig de wolkenatlas van het KNMI om ermee vertrouwd te
raken.Verder is het van belang om te weten waar de
haloverschijnselen zich aan de hemel kunnen voordoen. Men kan
het beste beginnen met te zoeken naar de kleine kring; hij is
gemakkelijk te herkennen en is in 9 van de 10 gevallen dat er
halo's te zien zijn aanwezig. Kijk verder of er soms bijzonnen
aan de kleine kring zijn: ze komen vaak voor en zijn door hun
grote licht- sterkte en kleurenrijkdom gemakkelijk te vinden.
De getallen uit Tabel 2 kunnen aanleiding geven tot
misverstanden. Ze zijn gebaseerd op gegevens van ervaren
waarnemers, die ook weten waar ze lichtzwakke, minder opvallende
haloverschijnselen moeten zoeken.
Verder zijn op de voor de tabel gebruikte halodagen ergens in
ons land dergelijke halo's gezien. Een tabel, die betrekking zou
hebben op één bepaalde plaats in ons land zou dus zeker kleinere
getallen bevatten. Desondanks komen er toch zo dikwijls halo's
voor dat je je afvraagt hoe het komt dat zovelen een derg lijk
verschijnsel nooit gezien hebben.
De
zuil is een vertikale lichtstreep of licht-
pluim die zowel boven
als onder de zon kan
worden waargenomen.
Wil men iets nauwkeuriger speuren naar of
rapporteren over haloverschijnselen, dan is het
noodzakelijk om hoeken te meten of te schatten.
Men moet zich hierbij bewust zijn van bepaalde
moeilijkheden die iedereen ondervindt bij het
uitvoeren van dergelijke schattingen. Zo doet
het hemelgewelf zich aan ons voor als een
afgeplatte bol waardoor zon en maan aan de
horizon veel groter lijken dan bij een hoge
stand aan de hemel. Door dezelfde
beoordelingsfout wordt de kleine kring soms
peervormig afgebeeld en wel naar beneden toe ve
lengd. Men overschat dan de onderste helft
t.g.v. de schijnbare afplatting van het
hemelgewelf.
Suggesties om dergelijke schattingsfouten op
eenvoudige wijze en met eenvoudige hulpmiddelen
te voorkomen of te verkleinen bevatten de in de
literatuur genoemde boeken van Minnaert en
Visser. In ieder geval is het volgende handig om
te weten. De schijnbare doorsnede van de zon of
de maan bedraagt 0,5° (vergelijk de straal van
de kleine kring; 22°, dus doorsnede 44°).

De Stockholmse halo van 20 april 1535 naar een
schil- derij in de
Grote Kerk te Stockholm. He!
verschijnsel is niet zo afgebeeld
als een
waarnemer het kan zien, veeleer is een weergave
zoals
ook gebruikt als in de figuur op pag. 366
op het
schilderij aangegeven.
De plaats van de kleine kring kan als volgt gemakkelijk gevonden worden. Men steekt zijn arm recht vooruit in de richting van de zon en strekt de vingers van de hand zodanig, dat de toppen van pink en duim zo ver mogelijk van elkaar verwijderd zijn. De straal van de kleine kring is dan iets groter dan de afstand tussen die toppen.
Fotograferen
van halo's
Waarnemen van halo's schenkt nog meer voldoening in
combinatie met het fotograferen ervan. Steeds moet men er voor
zorgen dat de zon is afgedekt en de opnamen enigszins worden
onderbelicht.
Bij gebruik van groothoeklenzen krijgt men een groter gedeelte
van de hemel op de foto. Om een volledige kleine kring op een
dia te krijgen is een objectief vereist met een,
brandpuntafstand van 28 mm of minder. Met zgn. fish-eye lenzen
kunnen ook uitgebreider haloverschijnselen worden
gefotografeerd, maar deze objectieven zullen meestal buiten het
bereik van de amateur liggen. Wil men toch een groot gedeelte
van de hemel in beeld krijgen, dan kan een ronde kerstbal
gebrukt worden. De uitbreiding van het gezichtsveld brengt
vervorming met zich mee, maar dat geldt m.i. nie:t alleen voor
deze goedkope oplossing.
Haloverschijnselen en volkswijsheid over het weer
De kleine kring staat bekend als voorbode van slecht weer:
regen en/of storm. In de volkswijsheid over het weer vindt men
dat terug:
- kring om de zon, water in de ton;
- kring om de maan kondigt regen aan.
Nog bekender is een gecombineerde vorm, die echter het
bovenstaande gedeeltelijk tegenspreekt:
- kring om de maan, dat zal wel gaan
- kring om de zon huilen vrouwen kinderen om.
Afgezien van die onderlinge tegenspraak is ook niet in te zien
waarom een kring om de zon een andere betekenis zou moeten
hebben dan een kring om de maan. De kring van 22° geldt ook als
voorbode van regen in:
- hoe groter de kring, hoe dichterbij de regen. Men bedoelt
hiermee dat de kring van 22° regen aankondigt, de krans niet.
De krans bestaat uit een of meer gekleurde ringen in de
onmiddellijke nabijheid van de zon of de maan en behoort niet
tot de haloverschijnselen. Misschien berust de bovengenoemde
onderlinge tegenspraak in een van de weerregels eveneens op het
feit dat in die regels de krans en de kring soms beide 'kring'
genoemd worden.
Overigens
is het verband dat gelegd wordt tussen kringen en regen
of storm wel begrijpelijk. Warmtefronten, die voor en
tijdens hun passage regen kunnen brengen, kondigen zich
in de bovenlucht meestal aan door cirrus of cirrostratus.
Behoort het warmtefront bij een depressie waarvan de
baan in de buurt van ons land of van de Noordzee ligt,
dan is ook de koppeling met storm duidelijk.
Men kan deze zaken echter niet omkeren, met andere woorden halo's kondigen niet noodzakelijkerwijze regen of storm aan. Onderzoekingen toonden dit aan.
Wel lieten zij de mogelijkheid open dat zeer duidelijk waarneembare lichtsterke kringen vaker gevolgd worden door regen dan gemiddeld.
Dit zou kunnen samenhangen met het feit dat het geleidelijk dikker wordende cirrostratusdek, dat aan de passage van het warmtefront voorafgaat, kennelijk zeer geschikt is voor het zich ontwikkelen van lichtsterke, langdurig zichtbare kringen. Moge de volkswijsheid niet geheel uit de lucht zijn gegrepen, de betekenis voor de weersverwachting is uiterst gering en kan gerust verwaarloosd worden.

Literatuur:
Minnaert, M., 1969. De natuurkunde van het vrije
veld, Zutphen. (halo's: deel 1; wolken: deel 2;
hoekmetingen: deel 3).
Scorer, R., 1972. Clouds of the world, Lothian Publ.
Co. Melbourne I David and Charles, Newton Abbot.
Tricker, R. A. R., 1970. Introduction to Meteorological
Optics, London.
Visser, S. W., 1957. Optische verschijnselen aan de
hemel, Den Haag.
Bronvermelding illustraties:
R. Scorer, pag. 366-367, 370-371 onder, 374 links, 378
rechtsboven en linksonder, 379, 381.
E. Schulthess, pag. 364-365, 375.
D. 0. Staley, pag. 377.
Stadsmuseum Stockholm, pag. 382.
Tekst en afbeeldingen van dit artikel zijn copyright Kees Floor !!
Artikel is verschenen in Natuur en Techniek van juni 1977 (laatste wijziging juni 2006) en is met toestemming van de auteur geplaatst.
|
Mail deze pagina |