BIJLAGE 7: TERMINOLOGIE WEERBERICHT


Voordracht Samenwerkingsverband Nederlandstalige terminologie,
Technische Universiteit Eindhoven, december 1992


Het weerbericht is een op de radio veel beluisterd, op tv veel bekeken, in de krant veel gelezen en op internet en teletekst veel geraadpleegd item. De begrippen die in de weerberichtgeving voorkomen, hebben voor velen dan ook een vertrouwde klank. Toch zal de boodschap die de meteoroloog heeft opgesteld, niet of niet altijd zo worden begrepen als bedoeld. De opstellers van weerberichten hebben de termen die ze hanteren, vrij nauwkeurig vastgelegd, maar niet iedereen weet dat. Onbekendheid met de terminologie wekt soms ten onrechte hoongelach op. Bijvoorbeeld:

We gaan hier na hoe begrippen uit weerberichten en weerpraatjes gewoonlijk gehanteerd worden. Daarbij zullen we zien dat het niet alleen gaat om weerkundige termen, maar ook om aardrijkskundige begrippen, om tijdsaanduidingen en om terminologie rond kansen en onzekerheden.


Droog


Regen


Sneeuw

Droog weer of regen?

Voor veel mensen is het vooral belangrijk te weten of het een bepaalde dag regent of droog blijft. Maar waar ligt de grens tussen nat en droog? 'Droog is het als de ruitenwissers niet aan hoeven of als het regenpak in het hoesje kan blijven', zo hoor je wel beweren. Weerkundigen leggen de grens bij een neerslaghoeveelheid van 0.3 mm, bijna een derde liter per vierkante meter. Kleinere hoeveelheden noemt men dan bijvoorbeeld 'geen regen van betekenis'. Een grens van 0.3 mm is ook nodig om regen te onderscheiden van mistaanslag in de regenmeters.
In weersverwachtingen wordt nu eens gesproken over 'regen', dan weer over 'buien'. Als het enigszins kan, staan de beide begrippen overigens niet in één en dezelfde verwachtingstekst. Een kop als 'Eerst regen, later buien' zal dan ook zelden boven een weersverwachting te vinden zijn. De meteoroloog die de verwachting opstelt, maakt wel degelijk onderscheid tussen regen en buien. Regen treedt bijvoorbeeld op bij het overtrekken van omvangrijke, enigszins langgerekte bewolkingsgebieden. Deze zijn gewoonlijk te vinden bij fronten, aan de scheidingslijn tussen warmere en koudere lucht.
Het kan ook motregenen; bij motregen zijn de druppels kleiner dan 0.5 mm in doorsnede. Buien ontstaan meestal boven relatief warm land of warm zeewater. In de lucht daarboven neemt de temperatuur af met de hoogte en is de atmosfeer onstabiel. Soms gaat het om afzonderlijk optredende buien; in andere gevallen zijn de buien geclusterd.
De leek zal het gewoonlijk worst wezen welk mechanisme de neerslag opwekt; belangrijker zijn de maatregelen die genomen moeten worden of de bijstelling van eerdere plannen. In het winterhalfjaar brengen buien naast regen soms ook hagel, sneeuw of natte sneeuw; ze kunnen vergezeld gaan van onweer. In dergelijke gevallen spreekt men van 'winterse buien', in het voorjaar ook wel van 'maartse buien'. Maartse buien worden op de Britse Eilanden overigens 'april showers' genoemd; kennelijk komen ze daar wat later.

Zonnig of bewolkt?

percentagezonneschijntermbewolkingsterm
0-20Veel bewolking
10-60Wolkenvelden
Wiselend bewolkt
Veranderlijke bewolking
Half tot zwaar bewolkt
Af en toe zon
Zonnige perioden
Perioden met zon
Opklaringen
40-100Weinig bewolking
Licht bewolkt
Helder, heldere nacht
Zonnig

Tabel 1. terminologie voor bewolking en zonneschijn


Met een alleen maar droge dag nemen de meeste mensen vandaag de dag geen genoegen meer; de zon moet zich ook laten zien en niet achter bewolking schuilgaan. De terminologie voor zon en bewolking is gekoppeld aan het zonneschijnpercentage (zie Tabel 1); dit getal geeft aan hoeveel procent van de tijd dat de zon zich boven de horizon bevindt, zonneschijn is of wordt geregistreerd. De grenzen zijn niet scherp getrokken. De overlap die optreedt, is deels een gevolg van de beperkte voorspelbaarheid. Ook de grilligheid van het bewolkingspatroon boven een gebied, draagt bij aan de noodzaak van overlap.


Zonnig


Wisselend bewolkt


Veel bewolking

Nat of droog 0,1 of 0,2 mmdroog, geen neerslag
0,3 mm of meerniet droog, neerslag
Regen of motregen?diameter druppel kleiner dan 0,5 mmmotregen
diameter druppel 0,5 mm of groterregen
Zicht: nevel en mistzichtbelemmering door waterdruppeltjesnevel
zicht minder dan 1000 mmist
zicht minder dan 200 mdichte mist
zicht minder dan 50 mzeer dichte mist

Tabel 2: Enkele weerkundige grenzen.

Sommige bewolkingstermen bevatten meer informatie dan sec het overeenkomende zonneschijnpercentage. Bij 'wisselend bewolkt' gaat het om stapelwolken, soms uitgroeiend tot een bui, die worden afgewisseld door opklaringen. Lucht waarin het wisselende bewolkt is, komt gewoonlijk uit richtingen tussen west en noord; het zicht is goed. 'Wolkenvelden' duiden op gelaagde bewolking die optreedt als het weer onder invloed staat van hogedrukgebieden. Er valt meestal geen regen uit, maar als dat wel het geval is, gaat het om lichte regen of motregen. Bij een 'veranderlijke bewolking' is zowel wolkensoort als bedekkingsgraad aan sterke wisselingen onderhevig. 'Helder' is van toepassing bij weinig of geen bewolking als bovendien de lucht helder is en het zicht goed.
Meteorologen gebruiken soms ook bewolkingstermen die niet in de tabel staan. Zo heet een verwachte toename in de bedekkingsgraad bijvoorbeeld 'toenemende bewolking', 'meer bewolking' of 'minder zonnig'. Als er uitsluitend dunne sluierbewolking aanwezig is waar de zon doorheen schijnt, is het 'vrij zonnig'. 'Laaghangende bewolking' komt vaak voor in combinatie met mist; als mist optrekt gaat hij namelijk eerst over in laaghangende bewolking, die op haar beurt door de zon kan worden weggebrand. Laaghangende bewolking laat doorgaans weinig licht door en levert daardoor een donker, somber weerbeeld op.
'Mist' is niets anders dan bewolking die de grond raakt. In mist is het zicht teruggelopen tot minder dan 1000 meter. Is het zicht beter, dan noemt de meteoroloog het 'nevel'. Het wegverkeer ondervindt bij de overgang van nevel naar mist nog weinig hinder. Pas als het zicht onder de 200 m. zakt, is de mist verkeersbelemmerend: 'dichte mist'. Bij 'zeer dichte mist' is het zicht zelfs minder dan 50 m.

mist < 1000 m
dichte mist < 200 m
zeer dichte mist < 50 m


Temperatuur

Naast zon en regen is de temperatuur een belangrijk weerelement. De temperaturen worden steeds vergeleken met de 'normale' waarde, waarmee niets anders bedoeld wordt dan het langjarig gemiddelde voor de tijd van het jaar. De beschrijvende terminologie voor temperatuur zoekt aansluiting bij het gangbare spraakgebruik; voor het exact vastleggen van een temperatuur hebben we al de waarde in graden Celsius. Bij middagtemperaturen van vijf tot tien graden boven normaal is het 'zacht' of 'warm'; liggen de maxima evenveel beneden normaal dan is het 'koud' of 'koel'. De grens tussen zacht en warm ligt bij 20 graden; die tussen koel en koud bij 12 graden. Zijn de verschillen kleiner dan aangegeven (twee tot zeven graden), dan is het 'vrij zacht' enzovoort; bij grotere verschillen (acht graden of meer) wordt het 'zeer zacht'.


Terminologie warm en koud.

 temperatuur om het vriespunt -2ºC </= TT </=  +2ºC 
 lichte vorst -5ºC </= TT </=  -1ºC
 matige vorst -10ºC </= TT </=  -5ºC
 strenge vorst -15ºC </= TT </= -10ºC
 zeer strenge vorst TT </= -15º 


Absolute termVerschil met lang-jarig gemiddeldeMaximumtemperatuur
zeer warm8 graden of meer23°C en hoger
warm5 t/m 10 graden20°C en hoger
vrij warm2 t/m 7 graden20°C en hoger
zeer zacht8 graden of meer19°C en lager
zacht5 t/m 10 graden19°C en lager
vrij zacht2 t/m 7 graden19°C en lager
koel-2 t/m -7 graden12°C en hoger
vrij koel-2 t/m -7 graden11°C en lager
koud-5 t/m -10 graden11°C en lager
vrij koud8 of meer graden te koudalleen bij winters weer

Tabel 3: Warm of koud?


'Zeer warm' gebruikt men echter alleen bij maxima van 23 graden of hoger. In het klimatologisch spraakgebruik spreekt men vanaf 25 graden van een 'zomerse dag'; haalt het kwik 30 graden of meer, dan gaat het zelfs om een 'tropische dag'. Ook bij vorst werkt men met intervallen van vijf graden. Tot -5 graden is de vorst 'licht'; bij 5 tot 10 graden onder nul spreekt men van 'matige vorst'. Wordt het nog kouder dan vriest het 'streng' of bij temperaturen lager dan -15 graden zelfs 'zeer streng'. Komt het kwik na een vorstperiode weer boven nul, dan spreekt men een etmaal lang van 'dooi'. Eventueel kan het aansluitend etmaal nog 'aanhoudende dooi' gebruikt worden, maar daarna verdwijnen de dooitermen uit de weersverwachting. Bij 'lichte dooi' bedraagt de maximumtemperatuur hooguit plus vier graden.
Men heeft het over 'vorst aan de grond' als het op de standaardwaarnemingshoogte van 1.5 m niet vriest, maar wel dichter bij de grond op 10 cm hoogte, waar eveneens waarnemingen worden verricht. Vroeger werd vorst aan de grond 'nachtvorst' genoemd, maar die term gaf aanleiding tot zoveel verwarring dat hij is geschrapt.
Bij vorst kan gladheid optreden. Men spreekt van 'bevriezing' van natte weggedeelten als het ook op de genoemde waarnemingshoogte vriest. Is dat niet het geval, maar zakt de temperatuur van bodem en wegdek wel onder nul, dan heet de oorzaak van de gladheid 'opvriezing'.
Het onderscheid tussen 'middagtemperatuur' of 'maximumtemperatuur' en 'minimumtemperatuur' heeft alleen zin als er sprake is van een zekere dagelijkse gang; koelt het 's nachts nauwelijks af en loopt ook de temperatuur overdag niet noemenswaard op, dan volstaat alleen de temperatuur.

De wind


Schuimende branding tijdens storm.


Rimpelloos water bij nagenoeg windstil weer.


Stuivend duinzand tijdens storm.

De windrichting geeft de richting aan waar de wind vandaan komt. Ze wordt opgegeven in tientallen graden ten opzichte van het geografisch noorden of in windstreken (noord, oost, zuid, west) en tussenstreken (noordoost, zuidoost, zuidwest en noordwest). Het draaien van de wind wordt soms aangeduid met 'krimpen', het draaien tegen de wijzers van de klok in, en 'ruimen', het draaien met de wijzers van de klok mee.

De windsnelheid wordt gemeten in m/s. Meestal worden omschrijvingen gebruikt die gestoeld zijn op de beaufortschaal voor de windkracht; het bijbehorende schaaldeel wordt toegevoegd om elk misverstand uit te sluiten, bijvoorbeeld: harde wind, windkracht 7.

Merk op dat bijvoorbeeld bij windkracht 11, 'zeer zware storm', zeer geen overbodig woord is om de zaak onnodig aan te dikken of te dramatiseren, maar aanvullende informatie verschaft; iets dergelijks zagen we eerder bij 'zeer dichte mist', bij 'zeer strenge vorst' en bij 'zeer warm' en andere beschrijvingen van gevallen, waarin de temperatuur sterk van de normale waarde afwijkt.




Weersituaties

De weersituatie van een bepaalde periode of belangrijke elementen daarvan kunnen soms overtuigend worden samengevat in een enkel trefwoord. Zo is het, als er enige tijd weinig wind staat, 'rustig weer'. Is het vochtig en te koud, dan heet het 'kil'. 'Benauwd', 'broeierig' of 'drukkend' is het bij vochtig en warm weer. Een warme, vochtige nacht is 'zoel'. Bij 'guur' weer is het te koud, er staat een stevige wind, veelal uit het noordwesten en het is vochtig of er treden buien op. Ook bij 'schraal' weer is het te koud en staat er vrij veel wind, meestal oost of noordoost, maar de lucht is droog. Een vorstperiode met niet te veel wind en overdag zon biedt 'helder vriesweer'. Tijdens 'kwakkelweer' wisselen vorst in de nacht en dooi overdag elkaar af.
Kenmerkend voor 'wisselvallig' is een vaste opeenvolging van achtereenvolgens veel bewolking en regen, een wisselende bewolking met enkele buien en een wat rustiger periode met wat zon en vrijwel overal droog weer. Deze cyclus kan zich een aantal malen achtereen herhalen; gaat hij bij voortduring vergezeld van veel wind, dan wordt het weer ook wel als 'onbestendig' of 'onstandvastig' gekarakteriseerd. De hier geschetste afwisseling kan ook helemaal ontbreken; het weer is dan 'bestendig' of 'standvastig'. Tussen 'tropisch warm' en 'ijzig koud' ligt een gat van tientallen graden; 'ijzig koud' is het alleen als er voldoende wind staat om de kou doordringend en goed voelbaar te maken, bijvoorbeeld een 'snijdende noordooster'. Naast 'ijzig koud' is er ook 'bitter koud'; de begrippen zijn beide niet nauwkeurig afgebakend met temperatuurgrenzen of voorwaarden voor de windsnelheid. Het KNMI spreekt van een 'hittegolf' als de maximumtemperatuur in De Bilt gedurende een periode van ten minste vijf dagen elke dag 25 graden of hoger is en bovendien op drie of meer dagen een waarde van minstens 30 graden bereikt.

Kansen en onzekerheden, plaats en tijd

Weerberichten bevatten niet alleen zogeheten prikwaarden van weerelementen, maar ook kansen op of frequenties van gebeurtenissen (bijvoorbeeld een bui of mist) die kunnen optreden. Vergelijk bijvoorbeeld: mogelijk een bui, plaatselijk een bui, kans op een bui, een enkele bui, enkele buien, buien. Of: plaatselijk mist, enkele mistbanken, op veel plaatsen mist, mogelijk mist, kans op mist. In de weerberichtgeving wordt zorgvuldig gekozen voor de formulering die men in de gegeven situatie het meest geëigend acht. Een eenduidig verband tussen omschrijving en kanspercentage is er niet; onderzoek of opsteller en gebruiker van het weerbericht op een lijn zitten ontbreekt. Ook het tijdstip waarop een gebeurtenis plaatsvindt, begint of ophoudt is van belang. Voor een gebied ter grootte van Nederland zal dit van plaats tot plaats variëren; regen komt bijvoorbeeld vaak uit het zuidwesten, bereikt Zeeland dus het eerst en breidt zich van daar verder over het land uit. Bij buien is vaak wel te voorspellen dát ze ergens optreden in een bepaalde periode, maar niet hoe laat en waar precies; in een weersverwachting mag men daarover dan ook geen harde uitspraken verwachten. Uitspraken als eerst (regen), later (enkele opklaringen) geven soms, hoe onbevredigend ook, toch redelijk goed weer hoe de situatie op dat moment ingeschat kan worden. Sommige tijdsaanduidingen worden niet eenduidig geïnterpreteerd; zo verstaan sommigen onder de 'namiddag' de tweede helft van de middag, terwijl anderen er de hele periode tussen 12 en 18 uur onder verstaan. Verder liggen ook de grenzen tussen de avond, nacht en ochtend niet precies vast, laat staan dat men kan aangeven wanneer de 'nanacht' overgaat in de 'vroege ochtend'. Gebiedsaanduidingen in weerberichtgeving kunnen eveneens aanleiding geven tot misverstanden. Vroeger hoorde men vaak zinsneden als 'ten noorden van de grote rivieren', die een abrupte overgang en scherpe grenzen suggereren. Windstreken vormen ook niet altijd een oplossing; bedenk maar eens wat u zou willen verstaan onder het oosten of het westen van het land en vergelijk het resultaat met de indeling, zoals die gebruikt wordt in de filemeldingen. Een zinsnede die ook wel eens verkeerd wordt begrepen, is 'in het binnenland', gewoonlijk gebruikt in tegenstelling tot 'langs de kust', 'aan zee' of 'in de kustprovincies'. Horen Zuid-Limburg en Twente bij het binnenland of is een grotere afstand tot de grens met Duitsland en België vereist? Tegenwoordig kiest men in dit soort situaties meestal voor landinwaarts.

Hogedrukgebieden, depressies en fronten

Tot nog toe beperkten we ons tot begrippen uit korte weersverwachtingen. Weerpraatjes bevatten meestal echter nog andere, niet genoemde termen, ontleend aan de meteorologische vaktaal. De bekendste voorbeelden hiervan zijn hogedrukgebieden en depressies; ze zijn ook te vinden op de weerkaartjes in de krant. Het begrip 'depressie' kent als synoniemen 'lagedrukgebied' en 'storing'; uitsluitend in België worden hogedrukgebieden ook wel 'anticyclonen' genoemd. Bij storingen gaat het gewoonlijk om kleine, snel trekkende depressies; ze verplaatsen zich vaak rond een veel groter, min of meer stilliggend lagedrukgebied en heten dan wel 'randstoring', maar nooit randdepressie of randlagedrukgebied. Hogedrukgebieden en depressies spelen in de weerkunde een belangrijke rol. Dat komt doordat meteorologen al meer dan een eeuw lang luchtdrukpatronen analyseren op weerkaarten en weten welk weertype ermee samenhangt. Vermoedelijk hebben de weersystemen die in de weerpraatjes genoemd worden, voor veel lezers en luisteraars alleen een signaalfunctie. Lagedrukgebieden worden, gewoonlijk terecht, in verband gebracht met slecht weer, bewolking, regen en veel wind. Hogedrukgebieden worden, in het winterhalfjaar vaak ten onrechte, geassocieerd met mooi, zonnig en droog weer.

Seizoenen

De begrippen voorjaar, zomer, lente en winter zijn algemeen bekend. Minder bekend is dat de astronomische seizoenindeling afwijkt van die in de meteorologie, waar de seizoenen niet op de 21e of de 23e van de maand beginnen, maar op 1 maart, 1 juni, 1 september en 1 december. Bij de overzichten wordt de gehanteerde seizoenindeling gewoonlijk nog eens nadrukkelijk vermeld. Extreem warme en zonnige zomers en koude winters hebben aan het toegemeten kwartaal vaak niet genoeg; de warmte strekt zich dan meestal ook uit tot de maanden mei en september, de kou tot november en maart. Indices om uitzonderlijke zomers en winters in volgorde te kunnen rangschikken, maken daarom vaak tevens gebruik van weergegevens uit omliggende maanden.

Literatuur:




I N H O U D :